Flores


Inleiding

Expeditie van Van Schelle

Een nieuwe expeditie

Versterking der troepen en voortzetting der expeditie

Verdere opmars

De situatie verslechtert

Nieuwe verwikkelingen

Einde expeditie


De Flores-expeditie van 1887 kende een aantal vervolgen (tot 1891). De belangrijkste reden voor de expedities naar Flores was de zoektocht naar tin. 


Inleiding

Sinds een twintigtal jaren werden er nu en dan geruchten vernomen dat Midden-Flores, slechts in naam aan Nederlands gezag onderworpen, tin bevatte. Maar alle pogingen, om dienaangaande enige zekerheid te verkrijgen, leden schipbreuk. Met de inlandse bevolking had het gouvernement nooit enige aanraking gehad. Hooge man in endek

De Roka’s, in wiens gebied de tinmijnen gelegen zouden zijn, waren, wellicht met het oog op de slavenhandel, afkerig van alle verkeer met vreemdelingen. Nog in 1887 verzetten zich de goedgezinde hoofden van de noordkust tegen een reis van een Europees ambtenaar naar het binnenland, omdat deze hier geenszins veilig zou zijn.

Intussen hielden de geruchten omtrent de tinrijkdom van Flores aan, en achtten particulieren die zo gegrond, dat zij concessies voor mijnexploitatie aanvroegen. De Indische regering zag hierin aanleiding, de mijningenieur Van Schelle een mijnbouwkundig onderzoek op te dragen.

Naar het schijnt had zij zich vooaf niet voldoende overtuigd van de goede geest der Roka’s. Het gouvernement rustte een “wetenschappelijke expeditie” uit naar onbekende streken, zonder,  zoals later blijken zou, voldoende maatregelen te treffen tegen eventuele vijandelijkheden der bewoners.

Expeditie van Van Schelle

De heer Van Schelle werd vergezeld door twee civiele beambten. Dat waren de heer Kleinen, gezaghebber van de afdeling Timor, en de heer Brugman, posthouder van Endeh (op de zuidkust van Flores, ten oosten van het Roka-gebied).

Verdere metgezellen waren drie inlanders van het eiland Banka, die vertrouwd waren met de arbeid, aan het opsporen van tin verbonden; een inlands hoofd, een aantal tolken, gidsen en een zestal gewapende politiedienaren. Huizen op Flores

De 10de december kwam de expeditie, in totaal 40 man sterk, in de Aimèré-baai aan wal. Met enkele strandbewoners werden vriendschappelijke aanrakingen verkregen.

En nadat enige dagen de omtrek in verschillende richtingen was verkend vond men eindelijk een bruikbaar pad naar het binnenland.

Nu werd de vijftiende de tocht over Wawa en Do naar Watoe Loko aanvaard. De weg voerde door steile en diepe ravijnen. De mars was daardoor erg moeilijk, maar vijandelijkheden werden niet ondervonden.

Te Watoe Loko, waar de expeditie na tien uur lopen aankwam, werd het bivak opgeslagen. Met de bevolking aldaar schenen Van Schelle en de zijnen op goede voet.

Want toen zij ’s nachts gingen slapen waren zij door een zestigtal Roka’s omringd, die kleine geschenken aangenomen en van hun kant etenswaren gebracht hadden.

De volgende dag zou de mars voortgezet worden naar de bergrug. De koelies waren al in beweging, toen Van Schelle, Brugman, Klein, de Bangkanezen en de politieoppassers, omringd door de Roka’s, wiens aantal tot 120 à 150 was aangegroeid, plotseling, zonder dat te voren van enige vijandelijke gezindheid gebleken was, door deze inlanders werden overvallen.

De heren Van Schelle en Klein raakten gewond, maar slaagden er toch in de aanval af te slaan. De koelies, tolken en gidsen vluchtten, met achterlating van alle goederen, dadelijk. Er zat niets anders op dan een terugtocht naar het strand, dat na een tocht van 4 ½ uur weer bereikt werd.

Hier kwamen achtereenvolgens alle bij de expeditie behorende personen – behalve een politieoppasser die vermist was – weer samen. Van Schelle moest besluiten Midden-Flores voorlopig te verlaten.

De wetenschappelijke expeditie was dus mislukt; maar al wat haar aanvoerder op de plaats vernomen had deed hem “de goedgevestigde overtuiging uitspreken dat, ten noorden van het Roka-gebergte, tinerts in grote hoeveelheden in vast gesteente optreedt.”

Een nieuwe expeditie

Vermoedelijk deed voornamelijk deze gunstige conclusie in maart de Indische regering besluiten tot hervatting van het onderzoek. Met het oog op het feit, dat de aanvoerders voor een klein troepje vijanden waren teruggekeerd en zonder verder overlast te ondervinden de terugtocht had kunnen aanvaarden, bedacht men het volgende. Roeiboot Flores

Er werd niet voor ernstige vijandelijkheden gevreesd en men meende dat 150 man infanterie met twee mortieren meer dan voldoende zou zijn om te voorkomen dat “een incident als het ondervondene zich zou kunnen herhalen”. De bedoeling was daarnaast om “de schuldigen aan deze aanslag op de vorige expeditie te straffen.”

Het bevel over de troepen werd opgedragen aan kapitein Van Baarda; een 300-tal dwangarbeiders was bestemd voor de transportdienst. De 14de mei landde de troep aan de Aimèré-baai. De strandbevolking toonde zich goedgezind.

Zij scheen echter zeer bevreesd voor de Roka’s. Een der op 16 december verloren geweren werd teruggebracht. In een van de opvolgende dagen, toen nog pogingen werden gedaan om langs vreedzame weg het doel te bereiken, zond Anggo Molo, het invloedrijke hoofd der Roka’s, een karbouw als schadeloosstelling voor de eerder geleden verliezen en als boete voor het gebeurde.

Hiermee werd geen genoegen genomen. Toen de binnenslands voerende weg over voldoende afstand in orde was gebracht marcheerde een detachement de 24ste mei naar Wawa. Hier moest men dezelfde dag reeds een aanval doorstaan van een 50-tal Roka’s, die zich “zeer dapper” betoonden, maar door geweervuur met belangrijk verlies moest terugtrekken.

Versterking der troepen en voortzetting der expeditie

Met het oog op de drukkende wacht –en transportdiensten” werd nu een versterking der troepen met 50 man en een vermeerdering van het aantal dwangarbeiders aangevraagd.  Inmiddels rukte de 26ste mei de hoofdmacht naar Wawa op en zette zij vier dagen later de mars voort naar Do. Kust Flores

Deze plaats werd echter op die dag niet bezet omdat men geweervuur te Wawa hoorde en het voorzichtiger achtte hierheen terug te trekken. Nadat de 4de juni de gevraagde versterking was aangekomen werd de 7de Do zonder tegenstand bezet.

De bevolking was gevlucht, maar trachtte de aanvoer van drinkwater door geweervuur te verhinderen.

De 11de had een aanval plaats op een transport tussen Do en Wawa, die echter zonder verlies werd afgeslagen. Een paar dagen later zag men op de voorliggende bergrug een grote versterking verrijzen.

Het was duidelijk dat de troepen zich te midden van een geheel vijandige bevolking bevonden. Kapitein Van Baarda achtte zijn macht niet voldoende om hiermee verder de te verwachten tegenstand te kunnen overwinnen.

Opnieuw werd aldus versterking gevraagd en majoor Collard met 170 man infanterie en 50 man artillerie met berggeschut naar Flores gezonden.

Hij kwam hier de 1ste juli aan, nam het bevel over de thans 400 man sterke macht van Van Baarda over en rukte de 7de naar Watoe Loko op.

Verdere opmars

Van deze plaats werd, deze en de volgende dag, de versterking op de bergrug door granaatvuur geteisterd. Het gevolg hiervan was dat vier hoofden in de middag van de 8ste in onderwerping kwamen en  twee dagen later Anggo Molo zich “op genade of ongenade” overgaf. 

Volgens particuliere berichten werden nu “enige paarden, karbouwen, varkens enz.” als schadeloosstelling aangeboden. Toen de resident van Timor, die met het politiek beleid belast was, daarmee geen genoegen nam, ook nog een fraai bewerkte gouden ketting van ongeveer 2 meter lengte, die door Anggo Molo bewerkt was. Kampong Adonare

Maar de resident sloeg ook dit aanbod af en vorderde teruggaaf van geroofde goederen, opruiming der randjoes, afbreking der versterking op de bergrug, uitlevering van de schuldigen aan de aanval op 16 december en eindelijk de levering van tien blokken tin.

Hieraan werd niet voldaan. Enige dagen later werden wel enige der bedoelde schuldigen aangebracht, maar de resident twijfelde aan hun identiteit. De 14de juli werd de versterking op de bergrug, die door de Roka’s was verlaten, zonder tegenstand bezet.

De troepen betrokken een bivak te Berewoe, in de onmiddellijke nabijheid van het in verschillende berichten als zeer vijandig gemelde Ekofeto.

Maar reeds weinig dagen later bleek dat de Roka’s de manschappen daar niet met rust zouden laten. De 18de werden enige Timorezen, die zonder vergunning het bivak hadden verlaten, vermoord, patrouilles aangevallen en het bivak door drommen gewapenden beschoten.

Deze werden met geweer –en geschutvuur uiteen gedreven en vier in de nabijheid gelegen kampongs ter bestraffing en ook in het belang van de veiligheid vernield.

Hiermee hielden alle aanrakingen met de bevolking op en was er ook geen kans meer op vredelievende wijze de waarheid te leren kennen omtrent de aanwezigheid van tin.

De situatie verslechtert

Aanvankelijk – in een telegram van de resident van 26 mei – heette het dat “de berichten omtrent de aanwezigheid van tin in het vijandelijke gebied algemeen bevestigd werden”. Maar later kregen de berichten een minder hoopvolle toon.

De 24ste en 25ste juli maakte ingenieur Van Schelle, onder bescherming van 100 bajonetten, een verkenning naar de vermoedelijke tinstreek, maar zonder succes. Wel bleek daarbij dat de bevolking “als één man vijandig tegenover ons stond”.

Het militair geleide moest in carré terugtrekken en door salvo’s de tot 50 pas opdringende vijand van het lijf houden. De 29ste werd een nieuwe verkenning ondernomen, maar ook nu vond men geen spoor van de aanwezigheid van tin. De gevangen hoofden verklaarden daarvan geheel onkundig te zijn, zelfs toen hen 200 gouden muntstukken werden aangeboden wanneer zij “de tinstreek” aanwezen.

Men gaf dus de hoop op met de aanwezige macht, van de zuidkust uit, die streek te bereiken. Bij het te verwachten verzet zou men eerst nog een, hoogstens twee, etappes vooruit kunnen dringen, maar verder ook niet. De bevelhebber vroeg nu andere bevelen van de regering en in afwachting daarvan besloot hij met zijn manschappen in de aangenomen stellingen te blijven.

Nieuwe verwikkelingen

Maar rustig zou dit verblijf niet zijn. De 6de augustus werd tussen Watoe Loko en de bergrug een transport overvallen, waarbij tweede luitenant A.J. Diemont en drie inlanders sneuvelden, negen inlanders vermist en acht gewond raakten. Kritiek op de expeditie

En zestien dagen later gelukte het aan een 300-tal Roka’s, door het terrein begunstigd, weer een vreselijke slachting aan te richten onder een transport dat van het strand (Wai Moké) naar Wawa marcheerde.

Van de 16 militairen sneuvelden er 4, werden er 7 gewond en van de 100 dwangarbeiders, voor goederentransport gebezigd, 11 gedood en 24 gewond.

Bovendien vermoordde de vijand nog 3 inlandse vrouwen en 1 kind  en raakten 4 vrouwen gewond. De volgende dag straften de soldaten enige kampongs middels geschutvuur. Ekofeto werd geheel verbrand.

De colonnecommandant vroeg 50 man versterking aan, die twee dagen later van Makassar gezonden werd, en hield zich vervolgens te Borewoe zonder verdere bijzondere voorvallen staande. De beslissing der Indische regering, in de eerste helft van september genomen, luidde in hoofdzaak het volgde. 

Dat majoor Collard en zijn troepen voorlopig zouden blijven waar zij waren en dat door de heer Van Schelle, onder bescherming van drie compagnieën infanterie, een sectie bergartillerie enz. nog een onderzoek naar de aanwezigheid van tin, van de noordkust van Flores uit, zou worden ondernomen.

Volgens zijn instructie zou de commandant van deze colonne, majoor Bosboom, trachten met Collard in verbinding te komen. Later scheen hiervan echter te zijn afgezien en bepaalde men zich uitsluitend tot het tinonderzoek.

Na enig heen en weer trekken werd bedoelde colonne, sinds 26 september aan de noordkust aanwezig, de 7de oktober nabij Toa ontscheept, en daarna werd hoofdzakelijk gestreefd naar vredelievende aanrakingen met de bevolking en het verkrijgen van zekerheid omtrent de aanwezigheid van tin.

Dit laatste kon, volgens de laatste berichten, niet meer betwijfeld worden. Daarentegen scheen de gezindheid der bevolking, die aanvankelijk weinig te wensen overliet, van lieverlede te verslechteren, zodat ook van de noordkant van het eiland de tinstreek niet zonder geweld bereikt zou kunnen worden. 

Einde expeditie

Intussen was het nu duidelijk geworden, dat de zuidercolonne geen doel meer had. De Roba’s waren voldoende gestraft voor de wijze waarop zij de eerste, wetenschappelijke expeditie bejegend hadden. Tin was van de zuidzijde niet te vinden en na de overvalling van 20 augustus had de troep zich lang genoeg te Borewoe staande gehouden om aan de terugtocht thans niet meer, ook in de ogen van de Roka’s, het denkbeeld van vlucht te kunnen verbinden.

De Indische regering bepaalde derhalve dat de zuidercolonne in de eerste helft van de maand november naar Java terug zou keren. Nu hoopte het gouvernement dat de noordercolonne gelukkiger zou zijn en er in kon slagen zonder bloedvergieten de schatten die Midden-Flores rijk was tot het algemene nut beschikbaar te stellen.

De minister van Koloniën deelde de 10de in de Tweede Kamer mede dat, volgens een telegram van 11 november, ook de terugkeer van de noordercolonne was gelast, omdat het tinonderzoek zonder resultaat was gebleven, voortzetting tijd vergen, en zonder versterking der troepenmacht onmogelijk zou wezen.

Op de noordkust zou nu een posthouder gevestigd worden om meer aanraking te krijgen met de goedgezinde bevolking. Men was dus geëindigd met datgene…waarmee men had behoren te beginnen....


 

f t