400px-Gedenkteken Goegoer Malintang Sumatra opgericht ter herinnering aan het heldenfeit van 28 februari 1841  Eigen Haard 1886


 Inleiding

De Opstand aan de westkust van Sumatra in 1841 was een inlandse opstand, op de westkust van Sumatra, tegen het Nederlands-Indische gouvernement, die werd onderdrukt door het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger onder leiding van Andreas Victor Michiels.

Situatie te Padang Pantjang

De 24ste februari 1841 brak geheel onverwacht te Padang Panjang een grote opstand uit in Batipuh, een district op de westkust van Sumatra. Er waren geen gewone voortekenen, zoals het wegzenden van vrouwen en kinderen, een toenemende brutaliteit der door fanatieke priesters opgehitste inlandse bevolking, nachtelijke vergaderingen en dergelijke geweest en de aanhangers der padrie's, de meest fanatieke der godsdienstige sekten, hadden zich niet meer dan anders in de hoofdstad van het district vertoond.

In de onmiddellijke nabijheid van de hoofdplaats, aan de rand van een diep ravijn was een versterking, Guguk Malintang, gelegen, door een Nederlandse troepenmacht bezet, en dienend om het het civiel bestuur te steunen in de handhaving van het Nederlands gezag. Binnen de enceinte van het versterkte kampement bevond zich alleen het logies der bezettingstroepen maar geen ammunitie, terwijl in het reduit slechts een buskruitmagazijn stond, waar een grote voorraad kruit, patronen en projectielen waren opgeborgen.

Het Nederlandse garnizoen

Het garnizoen werd gecommandeerd door tweede luitenant J.B. Banzer en bestond uit eerste luitenant kwartiermeester C. Keppel, 10 Europese en 35 inlandse onderofficieren en manschappen en daarnaast 44 inlandse vrouwen en kinderen. Na de reveille was de bezetting met de gewone dagelijkse zaken bezig toen de Europese sergeant Holij een hevige brand en geschreeuw van de bevolking in Padang Panjang ontdekte en hij waarschuwde de commandant; tegelijkertijd kwam sergeant-majoor geweermaker Schelling bij de commandant en meldde dat talrijke gewapende inlanders zijn woning op korte afstand van de versterking waren binnengedrongen, zodat hijzelf ternauwernood ontsnapt was.

Daarop liet Banzer iedereen onder de wapens komen terwijl intussen een goed gewapende bende de nog geopende poort binnendrong; Banzer en zijn troepen wisten zich met de bajonet een weg te banen door de woeste horde en het reduit te bereiken, dat door zijn geringe uitgebreidheid en grote voorraad ammunitie gemakkelijker te verdedigen zou zijn, tot er hulp van elders zou komen opdagen.

Belegering

Na twee dagen stuurde Banzer een briefje aan de dichtstbijzijnde post om hulp maar het lijk van de boodschapper, de Madoerese fuselier Suroto, werd vreselijk verminkt op een kwartier afstand van de versterking gevonden; gedurende de dag van 25 februari deed de vijand aanhoudelijk aanvallen en de bezetting leed gevoelige verliezen: de Europese fuselier F. Marien, de inlandse fuselier Sosemito en sergeant-majoor J.C. Schelling werden zwaargewond, de laatst, door vier klewanghouwen en lanssteken getroffen, werd verschrikkelijk verminkt.

Op de 27ste februari bleek dat door uitputting bijna niemand meer in staat was zich van de wapens te bedienen en Banzer besloot dat indien de vijand het fort mocht binnendringen hij het fort met vriend en vijand de lucht in zou laten vliegen; daartoe werd de zwaargewonde Schelling in de nabijheid van de buskruitvoorraad geplaatst, om op het eerste teken de brand in het kruit te steken.

Schelling en zijn medegewonden hadden inmiddels met elkaar afgesproken dat zij bij een uitbraak uit het fort achter wilden blijven en zichzelf en de vijand in de lucht zouden laten vliegen en aldus werd besloten om in de nacht van 27 op 28 februari de versterking te verlaten en door de vijand heen te sluipen of zijn leven zo duur mogelijk te verkopen.

De vlucht uit het kampement

Banzer liet nu alle voorradige kruitkisten in het midden van het magazijn zetten en daarnaast werden de drie zwaargewonden op de houten vloer neergelegd en sergeant-majoor Schelling van lont en vuurtuig voorzien. De bezetting, sterk 2 officieren, 8 Europese en 19 inlandse onderofficieren en manschappen, alsmede 44 vrouwen en kinderen, slopen, toen de duisternis gevallen was, over de wal aan de kant van het ravijn de versterking uit, om zich daar in kleinere eenheden te verspreiden, die ieder een goed heenkomen moesten zoeken.

Eenmaal buiten de versterking werden twee Europese fuseliers en luitenant Keppel letterlijk aan stukken gehakt maar de overigen sloegen zich door de vijand heen; van de zes kinderen van Keppel werd nooit meer iets vernomen. Even later vloog het fort de lucht in, de drie gewonden daarbinnen, maar ook talrijke vijanden daarbuiten, met zich meenemend.

De uit de vesting gevluchte manschappen, vrouwen en kinderen volbrachten een tocht van 2 dagen en 2 nachten; toen werden zij gered door een colonne onder de persoonlijke leiding van Andreas Victor Michiels, die naar de in opstand zijnde streken met zijn troepen oprukte. Bantzer werd bij keuze bevorderd tot eerste en sergeant van Holij tot tweede luitenant benoemd terwijl aan beiden door Z.M. de Koning het ereteken werd geschonken voor Moed, Beleid en Trouw (Koninklijk Besluit van 24 februari 1842, nr. 76).

Monument

Op de puinhopen van Guguk Malintang werd een monument opgericht met daarop de namen van de drie mannen die alhier de dood verkozen, te weten: J.G. Schelling, sergeant-majoor geweermaker; F. Marien, Europese fuselier en Sosemito, inlands fuselier.


 

[ Terug
 
 
 

 

f t