680px-Majoor de Brabant bij Singkawang


Inleiding

Militaire handelingen in 1858

Nieuwe expeditie in 1868

Krijgsverrichtingen onder Van Heemskerck

Krijgsverrichtingen onder De Brabant

Laatste deel der strijd

Bronvermelding


Inleiding

De expeditie naar Bali in 1868 was een strafexpeditie van het Nederlands-Indische leger naar het vorstendom Bali in 1868. Op Bali, in het noordelijke landschap Beliling, waren weer moeilijkheden ontstaan, al had men na de regeling der politieke aangelegenheden in 1849 vermeend, zich niet meer te moeten inlaten met het inwendige bestuur aldaar. Kaart van het eiland Bali

De vorst van Bangli, met het bestuur van Beliling belast, wist het vertrouwen van de hoofden, noch van het volk te winnen en reeds in 1854 deed hij afstand van het Rijk, hem toegevoegd door het Nederlands Indische gouvernement. Nu werd een regent aangesteld, onder toezicht van een controleur. In Djembrana beantwoordde de toestand evenmin aan de verwachting omdat de vorst, na in zijn rechten te zijn hersteld, het volk onderdrukte, zodat dit tegen hem in opstand kwam; hij werd verdreven, en evenzeer hier werd een regent benoemd, onder toezicht van een Nederlandse ambtenaar, een en ander met goedvinden van de bevolking.

De voormalige vorst, die zich naar Beliling begeven had, trachtte nu in zijn vorige gebied binnen te vallen, en ofschoon het hem niet lukte daar vaste voet te krijgen, achtte de regering het nodig, hem van Bali te verbannen. Wel werd hij door de Belilingse hoofden uitgeleverd, maar enigen van hen haddeningevoerd Balische dessa te Ampenan 3 dit tegengewerkt, in het bijzonder Njoman Gempol van Bandjar Djawa, die de bevolking tegen het Nederlandse gouvernement trachtte op te zetten.

Ter verantwoording geroepen, weigerde hij te komen en toen zijn uitlevering geëist werd, bleken de hoofden niet genegen hieraan te voldoen; een gewapend optreden was dus onvermijdelijk.

Aan het einde van het jaar 1858 werden drie oorlogsbodems, 3 transportschepen en 2 kruisboten onder kapitein luitenant ter zee van Hasselt naar Beliling gedirigeerd met een troepenmacht, bestaande uit het 13e bataljon infanterie en 2 mortieren, onder luitenant-kolonel Van Steijn van Hensbroek. Met de politieke leiding waren belast de assistent-residenten Bosch en Van Bloemen Waanders.

Militaire handelingen in 1958

De landing, waartoe de 11de december werd overgegaan, ondervond geen tegenstand; evenmin was er een noemenswaardig verzet, toen naar Bandjar Djawa werd opgerukt. De bevolking week overal; blijkbaar was men de expeditie van 1849 nog niet vergeten. OBalische wapensmdat Njoman Gempol niet voldeed aan de sommatie, om zich te komen onderwerpen, trachtte men zich van hem meester te maken; hem volgend naar de kampongs, waarheen hij achtereenvolgens de wijk nam. Toen die getuchtigd waren, voldeden de hoofden aan de eis, dat hij zou worden uitgeleverd, waarna de gevangene van het eiland verwijderHeemskerck WEF van 1868d werd.

Nog voor het einde van het jaar keerden de troepen naar Soerabaja terug. In 1861 werden de aangelegenheden in zoverre geregeld, dat in Beliling een assistent-resident optrad; in Djembrana bleef een controleur gevestigd.

Toch was in Beliling nog niet alles in het reine, want toen in het jaar 1864 het districtshoofd Ida Madé Rahi, door de regering indertijd verbannen, terugkeerde naar Bandjar, een district van Beliling, vond hij weldra een aanhang en enige kamponghoofden kozen zijn kant.

Controleur Schalk, die zich naar Bandjar begeven had, werd er vijandig ontvangen en Ida K'toet Anam, die de muiter in zijn betrekking was opgevolgd, vond het zelfs voorzichtiger Bandjar te verlaten.

Nieuwe expeditie in 1868

Deze verwikkelingen deden het gouvernement opnieuw besluiten tot het zenden van een expeditie naar Bali, om de hoofdmuiter en de weerspannige hoofden gevangen te nemen. Uitgezonden werden het 14de bataljon infanterie, sterk 720 man, met 2 houwitsers en 2 mortieren; de Marine, die een landingsdivisie kon formeren, bestond uit 4 oorlogsschepGewapende Baliers - kopieen, een ziekenschip en 5 kruisboten. Het bevel werd opgedragen aan majoor Van Heemskerck; de resident van Bandjoewangi bleef belast met de politieke aangelegenheden.

Ter rede van Beliling gekomen, bleef daar een oorlogsschip met een compagnie infanterie achter; te Singa-radja werd de landingsdivisie met een compagnie infanterie achtergelaten, terwijl de verdere strijdmacht zich begaf naar Temoekoes, waar 18 september, de dag van aankomst, twee compagnieën aan wal werden gezet en een bivak betrokken; de overige troepen voegden zich de volgende dag bij haar. Een der weerspannige hoofden kwam tot de resident om, mede namens de anderen, onderwerping aan te bieden, onder voorwaarde dat Ida Madé Rahi door de resident tot districtshoofd zou worden benoemd.

Krijgsverrichtingen onder Van Heemskerck

De onderhandelaar werd in verzekerde bewaring genomen, en de hoofdopstandeling bevolen om uiterlijk de volgende dag om 436px-Coenens-KWH-detien uur zich aan te melden. Omdat hij in gebreke bleef, werd door van Heemskerck met 5 compagnieën naar Bandjar opgerukt. Door de hoge padi marcherend, met een compagnie als voorhoede, die een tirailleurlinie vormde, werd de eerste tegenstand ondervonden van een vijandelijke afdeling, die zuidwaarts in de bosrand zich had opgesteld; voor de Nederlandse rechtervleugel bevond zich een ravijn, waarvan de overzijde eveneens door de vijand bezet was.

Toen luitenant Stegman met een sectie door het bHamakers Hegroeide ravijn voortdrong, stiet hij op de Balinezen; nadat deze officier order ontvangen had om terug te gaan, omdat de bevelhebbers eerst door kartetsvuur de muiters wilde verdrijven, gingen deze weer tot de aanval over, en met zoveel stoutmoedigheid geschiedde die, dat Stegman en 12 minderen sneuvelden. Inmiddels waren twee compagnieën te hulp gesneld en aan de overkant van het ravijn gekomen, waarna de sectie artillerie haar vuur richtte op de kampongrand. Een paniek onder de koelies, die uit een oproerige kampong waren opgeroepen en dus niet te vertrouwen waren, belemmerde de verdere opmars en Van Heemskerck zag zich gedwongen te retireren, zonder dat hij door de vijand werd verontrust.

De 21ste zou weer worden geavanceerd, maar de Balinezen weigerden verder koeliediensten te verrichten, zodat de resident verplicht was zelf koelies van Java te halen. Hierdoor was men enige dagen tot werkloosheid gedoemd; alleen de Marine beschoot de vijandelijke kampongs. De hoogstaande padi had de operaties zeer belemmerd; daarom werd van de tijdelijke rust gebruikgemaakt om haar te snijden, voor zover zij het uitzicht op de vijandelijke stelling belette.

Krijgsverrichtingen onder De Brabant

De 2de oktober werden de operaties voortgezet. De Nederlandse krijgsmacht was versterkt met 160 man onder de radja en 800 man onder het hoofd van Pangastoelan; maar de vijand weerde zich dapper, bedreigde de flanken en toen dAanval van kolonel de Brabant op de kampongrand Dentjareke hulptroepen van Pangastoelan, zonder enige tegenstand te bieden, op de vlucht sloegen, zag Van Heemskerck zich genoodzaakt, naar Temoekoes terug te keren.

Nadat de marine-landingsdivisie ter versterking was gevraagd, konden de 12de oktober 800 man, 4 houwitsers en 2 mortieren worden uitgezonden; maar weer deed vrees voor omsingeling tot de terugtocht besluiten. Die herhaalde schermutselingen, zonder enig resultaat, moesten de overmoed van de Balinezen wel doen toenemen. Hoewel geen ernstige verliezen geleden waren, kreeg de expeditiecommandant versterking; wegens ziekte moest hij inmiddels het commando aan kapitein de Coenens overgeven en worden geëvacueerd.

Kolonel De Brabant werd nu naar Bali gezonden; de beschikbare macht werd versterkt met het 11de bataljon onder majoor Bloem, 2 houwitsers en 2 mortieren. Nu zou meer doortastend worden opgetreden; de marine-landingsdivisie, aangevoerd door luitenant ter zee eerste klasse Schuurman, nam opnieuw aan de krjgsverrichtingen deel.Brabant DL de

De troepen werden verdeeld in drie colonnes, die ieder ofzonderlijk de carré-formatie moesten aannemen, zodra zij in aanraking kwamen met de vijand. Aanvankelijk echter in één colonne opmarcherend, werd over het thans geheel open rijstveld gegaan; zodra men de Balinezen naderde en de carré's gevormd waren, begon het gevecht.

Een aanval werd door het voorste carré afgeslagen, maar de Nederlandse troepen waren weer tot staan gebracht. De Brabant was er de man niet naar, zich te laten weerhouden door vrees voor het bedreigen van de flanken en de rug, al was het de kennelijke bedoeling der Balinezen om de krijgsmacht de terugtocht naar het strand af te snijden. Een geBalische attributendeelte van hen had zich gedekt opgesteld in een ravijn, van waar zij de troepen bestookten.

De voorste afdeling, nog altijd in carré geformeerd, bestond uit vier compagnieën van het 14de bataljon, 2 houwitsers en 2 mortieren; de bevelhebber stelde nu, met zijn staf, zich aan het hoofd, om aan de zijnen de weg der overwinning aan te wijzen. Een bajonet-aanval verdreef de Balinezen uit het ravijn; de beide andere carré's volgden en trokken evenzeer over de kloof, en toen de Balinezen zich verenigden om in de rug te vallen, liet De Brabant zich niet van zijn krachtige offensieve beweging afbrengen.

Laatste deel der strijd

Aan een diep ravijn gekomen, dat langs Dentjarek zich uitstrekte, stelde hij zich weer aan het hoofd en de voortroep drong tot de kampongrand door; zo onweerstaanbaar was de stormenderhandse aanval, dat de vijand overal teruggeworpen en de kampong doortrokken werd, hoezeer de Balinezen verwoed in de huizen standhielden.

Voorwaarts! bleef het parool van de energieke aanvoerder, die de hoofdmuiter in diens verblijf te Bandjar wilde opzoeken, het aan majoor Bloem overlatend, zich verder meester te maken van Dentjarak, waar ieder erf op zichzelf afzonderlijk versterkt was en moest worden genomen. Hardnekkig was de tegenstand; in de zware muren moest zelfs door de artillerie bres worden geschoten.

Majoor Bloem mocht erin slagen, de sterke kampong Dentjarek te nemen en de vijand er geheel uit te verdrijven; intussen volgde De Brabant zijn zegevierende tocht, zonder zich door de vermoeidheid van de troep te laten belemmeren in zijn doortaStraat in Oud Batavia 2stend optreden.

De gewone formatie was weer aangenomen, omdat nu de wegen gevolgd werden, en nadat het 11de bataljon aan zijn opdracht te Dentjarek had voldaan, kon de gehele macht Bandjar binnenrukken. Waar op de ommuurde erven nog tegenweer geboden werd, was deze spoedig overwonnen; een laatste wanhopige aanval van een van de Ida's met enige dapperen, die met gevelde lans verwoed zich op de voorhoude wierpen, als het ware moedwillig de dood zoekend, werd verijdeld en ook hier was de overwinning behaald.

De poeri was verlaten, de hoofdopstandeling gevlucht; ook Kali-anget was door de vijand ontruimd. Vier kampongs waren door de troepen genomen en van aanvallen in flank of rug was thans geen sprake meer. De Nederlandse troepen hadden 2 doden en 12 zwaargewonden (waaronder luitenant Hamakers); De Brabant, die met het 11de bataljon en de landingsdivisie alsnog tot Kali-anget was doorgedrongen, om het behaalde voordeel te vervolgen, betrok nu bij de poeri van Bandjar di bawah een bivak. Er had verder geen verzet meer plaats.

De 2de november kon Bandjar worden verlaten, omdat Ida Madé Rahi met zijn hoofden naar Mengoewi was gevlucht en de bevolking vreedzaam in de kampong terugkeerde. Met behulp van de vorst, wiens uitlevering door Madé Rahi gevraagd was, en nadat diens moeder, mits hem lijfsbehoud werd toegezegd, zijn verblijf bekend maakte, wist controleur Schalk zich van de hoofopstandeling meester te maken, die naar Batavia werd overgebracht; de weerspannige hoofden ontgingen hun straf niet,

Aldus was de expeditie met succes bekroond. De bevolking van de kampongs, die vijandelijk was geweest, had zich ondertussen onderworpen en de eed van trouw afgelegd. Waar de staatkundige regelingen van 1849, vooral met het oog op de onderlinge naijver van de Balische vorsten, te wensen had overgelaten, was nu een voor het Nederlandse gouvernement betere toestand geboren.


Bronvermelding

  • 1900. W.A. Terwogt. Het land van Jan Pieterszoon Coen. Geschiedenis van de Nederlanders in oost-Indië. P. Geerts, Hoorn.
  • 1900. G. Kepper. Wapenfeiten van het Nederlands Indische Leger; 1816-1900. M.M. Cuvee, Den Haag.
  • 1876. A.J.A. Gerlach. Nederlandse heldenfeiten in Oost Indë. Drie delen. Gebroeders Belinfante, Den Haag.

 

 

f t