800px-Bij Goenoeng Maraksa


Inleiding

De expedities naar de Palembangse Bovenlanden waren strafexpedities van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger naar Palembang in Sumatra (1851-1859). Geheel onderdrukt waren de onlusten in de binnenlanden van Palembang niet, ook niet na de expedities naar Palembang in 1819 en 1921; er bleef altijd spanning heersen.

Een van de fouten van het Nederlands-Indische gouvernement was dat het zijn gezag niet wist te doen eerbiedigen, maar de rustige bevolking door strijdlustige benden van elders liet overvallen en beroven zonder de schuldigen te straffen. Het gevolg daarvan was dat de bevolking niet alleen het vertrouwen in de macht van het gouvernement verloor maar zich met de roofstaten ging verbinden om ook een deel van de buit te krijgen.Rede van Muntok en strand tussen Banka en Palembang

Al in 1828 had Kranga Wira Lentika, hoofd van Lematang, de wraak ondervonden van de Passoemahs; dit volk drong over de grens en kwam zelfs tot vlak bij de stad Palembang; in 1830 brak er een opstand in Lobo-Poeding uit naar aanleiding van de verhoging van de landrenten.

In 1835 werden Nederlandse troepen meer dan 40 dagen lang te Kaban ingesloten; herhaaldelijk vonden overal in deze streken vijandelijkheden plaats; in 1841 en in 1842 werden enige Europese soldaten vermoord en tenslotte werd de Nederlandse post bij Moeara-Klingie aangevallen; niet een van deze ongeregeldheden werd bestraft zodat er niet de minste achting voor het gouvernement bestond en de acties van kwaadgezinden toenam naarmate de regering meer machteloosheid toonde.

490px-Brauw caDe rijksbestuurder van Palembang, pangerang Krawa Djaje, stookte de onlusten nog verder aan. In plaats van in de geest van de regering te handelen, werd de bevolking door hem verder onderdrukt, zodat de landrente een belasting voor de bevolking werd, veel zwaarder dan de belastingen eerder door de sultan geheven; hij wist het daarbij te doen voorkomen alsof de drukkende lasten door het Nederlands-Indische gouvernement werden geheven en hij al wat in zijn vermogen lag deed om die te verlichten.

Hij wist zoveel invloed te krijgen dat hij het volk op ieder moment in opstand kon laten komen, en het gouvernement zo gehaat te maken dat er krachtig door dat gouvernement opgetreden diende te worden.

Expedities

De bevolking van Ampat-Lawang, onderdeel van de assistent-residentie Tebing-Tinggi, residentschap Palembang, kwam meermalen in verzet en de geest van verzet was zo algemeen geworden, dat in 1850 overal, waar de Europese macht zich in de binnenlanden niet terdege liet gelden, eerder vijandschap dan onderworpenheid heerstte. Aan de oever van de PalembangrivierToen luitenant-kolonel De Brauw tot resident en civiel-militaire bevelhebber van Palembang werd benoemd hoorde hij dat de landrente niet werd opgebracht, dat de divisie-commandant van Goenong-Maraksa beledigd was en dat weer enige soldaten door inwoners van Lintang-Kiri vermoord waren.

De Brauw deed pogingen om Tiang-Alam tot onderwerping te brengen maar de bevolking had zich al versterkt te Oedjong-Ali; er werd nu aan de colonne onder bevel van kapitein C. Meijer opgedragen naar Oedjong-Ali op te rukken. Onderweg vonden voortdurend gevechten met de opstandelingen plaats en bij Goenong-Maraksa gekomen werden de troepen door duizend zwaar bewapende kwaadwillenden opgewacht. De colonne wist de vijand op de vlucht te jagen maar kon door gebrek aan troepen in het in opstand verkerend gebied niet anders doen dan terugtrekken op Tebing-Tinggi.

Er moest nu een expeditie naar Ampat-Lawang worden gezonden omdat ook daar en in Lematang-Oeloe opstand dreigde; de rijksbestuurder was inmiddels ontslagen en naar Batavia overgebracht maar nog steeds bleef een nieuwe expeditie noodzakelijk. Lematang-Oeloe was niet het enige oproerige district, ook in Kikim, Moesie-Oeloe en Ampat-Lawang en niet minder dan 20 marga's dreigde de opstand.

Er vonden nu scherpe gevechten plaats die tot het gewenste resultaat leidden: toen resident de Brauw Palebang verliet waren Tebing-Tinggi, Labat en Moeara-Klingie door vijanden omringd en door bentings van communicatie naar buiten afgesneden; 26 districten waren in volslagen opstand en de muiters vertoonden zich tot vlak bij de hoofdstad; na het offensief optreden van het gouvernement was men zover gevorderd dat het contact tussen de forten onderling hersteld was, de muiters overal teruggeslagen en de bevolking in Ampat-Lawang weer naar haar doesons begon terug te keren. In het garnizoen van Tebing-Tinggi was intussen een besmettelijke ziekte uitgebroken die aan 150 man het leven kostte en die het noodzakelijk maakte nieuwe troepen te zenden.

Aan het begin van 1852 zou de eigenlijke expeditie naar Ampat-Lawang plaatsvinden. Voor het begin van 1853 waren alle opstandelingen onderworpen; in de jaren daarna zouden er voortdurend kleine opstanden te bedwingen zijn en nog tot 1859 moesten herhaalde malen troepen worden gezonden om smeulende opstanden te dempen.


Bronvermelding

  • 1900. W.A. Terwogt. Het land van Jan Pieterszoon Coen. Geschiedenis van de Nederlanders in oost-Indië. P. Geerts. Hoorn
  • 1900. G. Kepper. Wapenfeiten van het Nederlands Indische Leger; 1816-1900. M.M. Cuvee, Den Haag.'
  • 1876. A.J.A. Gerlach. Nederlandse heldenfeiten in Oost Indë. Drie delen. Gebroeders Belinfante, Den Haag.

 

f t