De expeditie naar de westerafdeling van Borneo was een strafexpeditie van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger naar de westerafdeling van Borneo van 1850-1854.
 
Inhoud
1 Inleiding
2 De expeditie
3 Gevecht te Sekadouw
4 Vervolg
5 Deelnemers
6 Bronnen, noten en/of referenties
Inleiding
De Chinezen weigerden belasting te betalen en onderdrukten de inlandse bevolking; een groot aantal mijnwerkers had zich verenigd tot kleine republieken, kongsies genoemd, die werden beheerd door hoofden die zij zelf kozen. De districten Sambas, Mempawah en Pontianak kenden, in het jaar 1850, de kongsies van Langfong of Mandor (gevestigd te Pontianak en Mempawah), die van Sam Tiu Kiu te Sepang en Pemangkat, met de hoofdplaats Seminis; die van Taikong omvatte alle districten Monterado, Lara, Singkawang en Kulor; dit was de machtigste van allen en de kongsies Sjep-eng-fou en Liemtjin waren hieraan onderworpen. De kongsihuizen waren in staat van verdediging gebracht en werden langzamerhand geduchte versterkingen. Ze waren voortdurend met elkaar in oorlog geweest en hun macht nam dermate toe dat een botsing met de Nederlandse autoriteiten niet meer uit kon blijven.
 
De expeditie
Er werd een levendige smokkelhandel in opium bedreven en toen Nederlandse kruisboten een Chinees vaartuig met smokkelwaar in beslag wilden nemen kwamen de Chinezen feitelijk in verzet en wierpen zij versterkingen op. Daarop werd door de regering een fregat gezonden dat met andere schepen op de oevers van de Sambas debarkeerde om de Chinezen uit het fort Pemangkat te verdrijven. De 12de september 1850 werd deze versterking genomen, ondanks hardnekkige tegenstand; luitenant-kolonel Frederik Johannes Sorg sneuvelde hierbij. Als bewijs van hulde werd zijn naam gegeven aan het fort, dat gebouwd werd te Penibungan, het belangrijkste strategische punt. Fort Pemangkat was niet door de Nederlandse troepen bezet en overste Le Bron de Vexela, die met een versterking te Sambas aankwam, wilde die fout herstellen maar de Chinezen hadden zich krachtig versterkt en de slechte moesson belemmerde de operaties, zodat de troepen de 23ste november onverrichter zake naar Sambas terugkeerden.
 
Desalniettemin kwamen de Chinezen zich toch onderwerpen en in het begin van het jaar 1851 werd een conventie gesloten met de kongsi's Taikong, Sjep-eng-fou en Liemtjin. Later zou blijken dat het de Chinezen er slechts om te doen was om tijd te winnen. Pamangkat was inmiddels weer in Nederlandse handen gevallen en nu werd aan de hoofden der kongsi's vergiffenis geschonken mits de Nederlandse bondgenoten van de kongsi van Sam-ti-Kiouw (door de hoofden naar Sarawak verjaagd) vrij mochten terugkeren naar hun landstreken tussen Monterado en Sambas; de vluchtelingen durfden echter niet terug te komen omdat Sepang door de kongsi van Taikong bezet bleef. Op de 29ste maart 1853 vertrok daarom een colonne van Sambas naar Sepang onder majoor Andresen en vergezeld door de gouvernementscommissaris Ary Prins; in de mening dat de zaak nu in orde was keerde men, onder zwak geleide, naar Sambas terug.
 
Te Kedondong werden zij door een bende Chinezen verraderlijk overvallen; een detachement infanterie kwam te hulp; maar weldra werd het garnizoen aldaar ingesloten en moest zich verweren tegen een grote macht. Kapitein Van Houten, commandant van fort Sorg, rukte met 250 man tot ontzet op en verdreef de vijand. Omdat Sepang slechts met een sterke troepenmacht kon worden behouden werd het besluit genomen om deze post en ook Balai Binang te verlaten en om de bezettingsmacht terug te laten keren naar Sambas.
 
Gevecht te Sekadouw
Van Houten, tevens met het civiel gezag in deze streken belast, verscheen de 12de mei opnieuw te Seminis om de Chinezen van Sam Tiu Kiu, de bondgenoten van Nederland, te ondersteunen. De panglima van Taikong had intussen een bloedprijs gesteld op het hoofd van Van Houten en daarnaast zijn stellingen versterkt; hij viel Van Houten aan met een talrijke bende Chinezen. Toen majoor Kroesen de 16de hem met 160 man te hulp schoot werd de vijand teruggedreven tot de helling van Sekadau, waar hij stand bleef houden. Majoor Kroesen rukte nu met een troep van 200 man tegen deze sterke stelling op; de Chinezen hielden hardnekkig stand en deden een aanval maar tenslotte overwonnen de Nederlandse troepen, werden de retranchementen met de bajonet veroverd en vluchtte de vijand. Een van de soldaten die bij deze gevechten eervol vermeld werd was Root, een officier die zich eervol onderscheidde was Mekern.
 
Vervolg
Kort hierna begonnen de Chinezen hun werkzaamheden in de mijnen (naast Singkawang, Sungai Duri en Monterado) te versterken. Hoewel er eigenlijk onvoldoende troepen waren om de machtige Kongsi aan te vallen werd toch besloten om het machtige kongsihuis te Bentunai aan te vallen, gelegen op de linkeroever van de Selakau. De commandant van de Celebes, Geerling, werd opgedragen de versterking te nemen; de 7de juli 1853 voer het schip de rivier op maar een hevige storm belette een geforceerde doortocht door het hevige vuur van de vijand. Pas de 7de juli gelukte het tot een landing over te gaan en viel Bentunai; dit zou verder de plaats worden van waaruit alle overige operaties uit zouden gaan. Zie verder voor het vervolg de Expeditie tegen de Chinezen te Montrado.
 
Deelnemers
A.J. Andresen (1808-1872)
A.C. Bellaart (1834-1901)
V.M. de Brauw (1815-1893)
B.F.J. Le Bron de Vexela (1809-1872)
J.H. Crena (1814-1874)
L.F. Donleben (1820-1895)
F.L. Geerling (1815-1894)
P.J.E. Hartsteen (1822-1901)
W.E. Kroesen (1817-1873)
J.E. de Man (1814-1872)
W. Mekern (1828-1856)
G.F. Nauta (1815-1900)
M.A.E. Pfaff (1827-1915)
C.J. Riesz (1822-1873)
J. Root (1828-1903)
F.J. Sorg (1810-1850)
J.C.J. Smits (1812-1887)
G.J. ter Woord (1826-1905)
f t