De expeditie tegen de Pasoemah-landen was een strafexpeditie van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger naar de Pasoemah-landen in Sumatra. De expeditie duurde van 1864 tot 1868.
 
Inhoud
1 Inleiding
2 De expeditie
3 Het vervolg
4 Bronnen, noten en/of referenties
Inleiding
Het landschap Pasoemah, tussen de residentie Palembang en de assistent-residentie Benkoelen gelegen, vormt een hoogvlakte, ongeveer 700 meter boven de zeespiegel. Van de voornaamste bergtoppen aan de grenzen ontspringen een aantal merendeels snelstromende rivieren met beddingen in diepe kloven. In de binnenlanden bevonden zich uitgestrekte alang-alang velden afgewisseld met bamboe-bossen, die steeds dichter werden naarmate men de bergen naderde. In deze onafhankelijke Pasoemah-landen ondernam de bevolking nu regelmatig rooftochten waardoor Palembang en Benkoelen verontrust werden. Het was al geruime tijd nodig om in te grijpen maar de Nederlands-Indische regering bleef aarzelen; de bevolking was daardoor in staat zich te verzetten tegen de machtiging van het gouvernement om Pasoemah te annexeren; er volgden nu nieuwe uitbarstingen van verzet die een expeditie noodzakelijk maakte.
 
De expeditie
Onder bevel van luitenant-kolonel Koch werd een expeditie uitgezonden, bestaande uit twee compagnieën van het garnizoensbataljon te Palembang, het 10de bataljon infanterie onder majoor Heyligers, een detachement artillerie met twee houwitsers en 2 mortieren en 70 sappeurs, met de intendance en de geneeskundige dienst. De vijand had zich te Muntar Alam verschanst en had te Penandingan tijdelijke versterkingen opgericht; hierop werd als eerste een aanval ondernomen, zodra de troepen, na een langzame mars van 5 uur door de dichtbegroeide velden, nabij de vijandelijke positie waren aangekomen. Na een inleidend artillerievuur werd van drie kanten de aanval ondernomen. Overste Koch liet de compagnieën Van der Hurk en Jean Louis Breton Granpré Molière (Padang 26 september 1833) de pelotonscolonne formeren, zette zichzelf en majoor Heyligers aan het hoofd en trachtte de benting te nemen. Door het vuur van de artillerie ontstond brand in de versterking en dit dwong de vijand zijn stelling te verlaten. De Nederlandse troepen hadden 10 doden en 51 gewonden; hierna werd ook Kota Agung genomen. Toen de pangerang van Tanjung Tapus geen gevolg gaf aan de oproep zich op het hoofdkwartier te melden werd Heyligers op 4 mei met 250 infanteristen, 30 sappeurs, een houwitser en een mortier naar Tanjung Tapus gezonden, dat al door de vijand verlaten bleek; tijdens het bivakkeren werd Heyligers door de vijand in de borst geschoten maar dit schot was niet dodelijk. Nu werd de hoofdversterking Muntar Alam het doel van de operaties; de veertiende mei ging de colonne hier naar op weg en de volgende dag werd de vesting geheel ingesloten; nadat een bestorming door de 1ste compagnie mislukt was besloot Koch tot belegering der stelling over te gaan; een volle maand hield de bezetting dit vol en ondernam toen, in de nacht van 11 op 12 juni, een poging tot uitbraak, die lukte. Muntar Alam, een van de brandpunten van het verzet, was nu ontruimd en werd geslecht; de zeventiende werd naar Gelong Sakti opgerukt en werd deze versterking veroverd, nadat ook de doesoen Bandar, waarin de vijand nog tegenstand had willen bieden, was omgetrokken.
 
Het vervolg
Overal waren nu de Pasoemahers uit hun versterkingen verdreven en omdat de bevolking tot toenadering geneigd was scheen het doel van de expeditie bereikt. Hoewel de bevolking van Pasoemah Lebar, een van de vier Pasoemah-landen, vijandelijk gezind bleef en Pangeran Tumenggung aarzelde om de eed van getrouwheid af te leggen, meende de resident toch dat de toestand bevredigend was en dat de expeditie naar Java kon terugkeren. Maar de bevolking, ontevreden over de afschaffing van de slavernij en van het pandelingenschap, kwam, geleid door een invloedrijke geestelijke, weer in opstand. Zij versterkten de doesoen Tebat Surut en hoewel twee compagnieën hen trachtten in te sluiten, wisten 300 Pasoemahers tot de doesoen door te dringen, om de bezetting te versterken. Pas toen een compagnie van het tiende bataljon zich bij de kleine troepenmacht bij Tebat Surut kwam voegen kon tot algehele insluiting worden overgegaan, nadat verschillende aanvallen van de troepen waren afgeslagen. Er werd nu een begin gemaakt met de aanleg van een mijngalerij om in de vijandelijke stelling een bres te slaan, waarop de vesting door de duizend man sterke bezetting verlaten werd.
 
Intussen bereidde de vijand in de doesoen Gedung Agung, nog sterker dan Tebat Surut, zich tot vernieuwde tegenstand voor, maar kon bij verrassing genomen worden; hiermee was het verzet gebroken; de voornaamste tegenstanders vielen in handen van de troepen en toen de rust hersteld was kon worden overgegaan tot de inlijving van Pasoemah, dat een onderafdeling van Lematang Ulu werd. Overste Koch was op 22 september 1868 vertrokken en vervangen door kolonel Jalink, die de zaken verder afhandelde. Majoor Benschop verkreeg voor zijn verrichtingen tijdens deze expeditie de Eresabel.
f t