Radja uit Nias

De expeditie naar Nias was een strafexpeditie van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger naar Nias aan het einde van het jaar 1855, die, met tussenpozen, duurde tot 1864. 

 
Het eiland Nias is gelegen bij de westkust van Sumatra. Al in 1693 sloot de Verenigde Oost-Indische Compagnie de eerste contracten met enkele vorsten en richtte in het district Telok Dalam een post op. Twee jaar later bleek dat de kosten van de nederzetting niet door de opbrengsten werden gedekt en trok men de post weer in. Swieten J. van
 
In 1756 werden de contracten hernieuwd maar ook deze keer mislukte de poging om zich ergens aan de kust met vrucht te vestigen. Overeenkomsten tot wering van de slavenhandel, door Raffles gemaakt, werden door het Nederlands gouvernement hernieuwd.
 
Dat gebeurde na de overname van de bezittingen op de westkust van Sumatra. Een post te Goenong Sitoli, door de Engelsen opgericht, werd door Nederlandse troepen bezet.
 
Na de intrekking van die post, in 1836, reikte men aan een Atjeher, die op Nias zijn verblijf hield, een actie van waarnemend posthouder uit, met de bepaling dat hij de Nederlandse vlag zou voeren.
 
In 1840 evenwel werd te Goenong Sitoli weer een fort gebouwd en door een detachement infanterie bezet. Het  civiele en militaire gezag droeg men aan een officier op.Donleben LF
 
De onderlinge vijandschap van de Niassers aan de ene kant, het geringe belang van die eindeloze twisten en oorlogen voor het Nederlandse gezag aan de andere, waren er oorzaak van dat de bezetting van Goenong Sitoli steeds een passieve rol speelde.
 
In 1846 probeerden de Niassers van Lagoendi luitenant Donleben te vermoorden, toen die officier, met een topografische opname belast, op de zuidkust aan wal stapte.
 
Om die reden ging luitenant-kolonel Van der Hart in het volgend jaar met enige troepen aan boord van Z.M. brik Koerier en landde met de schoeners Bank en Banda in de Lagoendi-baai. Na een kort gevecht, waarbij kapitein Kroesen door een lanssteek werd gewond, verbrandde men de kampong.
 
Tot zo ver bepaalden de Nederlandse betrekkingen zich met het eiland Nias. Nadat echter Sumatra aan het Nederlandse gouvernement was toegevoegd kwam het moment dat het gouvernement meer aandacht kon gaan besteden aan Nias.
 
Het bestuur van de westkust van Sumatra was in handen van generaal Van Swieten; hij wenste dat de Nederlandse troepen een meer actieve rol te Nias zouden uitoefenen. Aan het einde van 1855 werd een expeditie samengesteld en bracht men de troepen over naar het oorlogsgebied  (29 december 1855).
 
Op de 2de januari kwam Z.M. schoenerbrik Panda aan bij de baai van Lagoendi, alwaar de kruisboten al voor anker lagen. Commandant Vos begaf zich direct aan wal om een geschikte plaats voor het bivak te zoeken.
 
De radja's van Botohosi en Orahili, op de zuidkust, waren sinds jaren onafgebroken in oorlog met die van Fadoro en Sindegeassi. Een moord, een strooppartij op het grondgebied van een naburige kampong om enige gevangenen als slaven in bezit te krijgen gaven gewoonlijk aanleiding tot vijandelijkheden die generaties lang konden duren. Groepsportret van krijgers van Orahili
 
Gebruikmakend van een kortdurende schijnbare vrede smeedden de radja's van Botohosi en Orahili in het geheim een plan en overvielen onverwachts hun vijanden. Tate-Geko, radja van Fadoro en de broer van de vorst van Sindegeassi werden vermoord.
 
Die moordaanslag kreeg een politieke betekenis omdat de neutrale grond, de vrijplaats van de zogenaamd verzoende partijen, geschonden was. Toen de betrokken vorsten daarop weigerden de boeten te betalen en de schuldigen uit te leveren, zoals de adat dat voorschreef, verkreeg de zaak een nog ernstiger aanzien.
 
Wat het Nederlands gouvernement echter helemaal niet dulden kon was het streven van de radja's van Botohosi en Orahili naar suprematie over geheel Nias en hun vijandelijke gezindheid tegen het Nederlandse gezag..
 
Generaal Van Swieten gaf nu de opdracht tot de samenstelling van een expeditie. Onder aanvoering van kapitein De Vos zou een detachement geformeerd worden uit een gedeelte van de bezetting van Sibogha (westkust van Sumatra) en van Goenong Sitoli.
 
Tegelijkertijd zou een peloton inlandse matrozen van de bemanning van de schoener Banda gebruikt worden om het detachement te versterken. Op de 2de januari 1856 kwam Z.M. schoenerbrik Panda aan in de baai van Lagoendi, waar de kruis- en laadboten al voor anker lagen.
 
Commandant De Vos begaf zich onmiddellijk aan de wal om een geschikte plaats voor het bivak te vinden. Op de vierde januari waren alle bouwwerkzaamheden afgelopen en ontscheepte het gehele detachement teneinde naar Orahili op te rukken.
 
Kapitein De Vos stelde de pelotonscommandanten verantwoordelijk voor nodeloze vernieling of brandstichting en hield de manschappen voor dat hij tot het laatste ogenblik onderhandelingen en verzoeken om vergeving aannam en pas bij vijandelijk initiatief van de wapens gebruik zou maken. 100. Ravallet GF de
 
Voor het aanbreken van de dag, de 6de januari, stond het detachement tot de opmars naar Orahili gereed. Vlak voor Orahili vond men de weg door de vijand versperd met een zware versterking. Overal werden de troepen met geweervuur begroet en lagen randjoes en wolfskuilen.
 
Majoor Schwenk werd dodelijk getroffen en sergeant Sopla ernstig gewond. Beschoten door de in de versterking gedekt staande vijand nam het aantal gewonden steeds meer toe en moest men terugtrekken, twee doden in handen van de vijand latend.
 
Men telde achttien gewonden, waarvan zes zwaar. Bovendien waren de officieren Hamers, de Ravallet en Schuurman lichtgewond.  Men had aldus de vijand te licht geacht. Nu besloot generaal van Swieten om feitelijk bezit van het onwillige Nias te nemen alvorens onderwerping en gehoorzaamheid te eisen.
 
Het plan was nu een vast punt te bezetten en van daar, niet zo zeer met behulp van de wapens maar door overtuiging, door langzame inmenging met de staatshuishoudkunde, de invloed van het Nederlandse gouvernement te verspreiden.
 
Voorlopig werd aan de radja's van Fadoro en Sindegeassi bescherming toegezegd en hen te kennen gegeven dat de Nederlandse troepen zouden terugkeren om hen duurzaam te beschermen mits zij van hun kant de Nederlanders met materieel en werkvolk bijstonden.
 
Aan majoor Crena werd het commando van de troepen in de noordelijke afdeling opgedragen. Luitenant A.W.F. Heijligers werd bestemd om later het bevel te Lagoendi op zich te nemen. In totaal bestond de expeditie uit 190 geweerdragende manschappen en vijf officieren. Krijgers uit Fadoro
 
Op de tiende maart kwam de vloot in de Lagoendi-baai aan. De jongste broer van de vorst van Sidegeassi verscheen en meldde dat de radja's van zes kampongs een verbond hadden gesloten en met een eed bevestigd hadden dat zij elkaar met alle macht zouden ondersteunen.
 
Het doel was de Nederlanders zoveel mogelijk schade toe te brengen en beletten dat zij zich te Lagoendi zouden vestigen.
 
Dit verbond bestond tussen Orahili, Botohosi, Hilibobo, Lahoesa, Hilidjekono en Hilidjomboi. Volgens opgave van kapitein De Vos zouden deze kampongs 6.000 weerbare mannen in het veld kunnen brengen.
 
Een paar moordenaars, wier uitlevering eerder gevraagd was, hadden zich aan het hoofd van hen gesteld en titels aangenomen als verdelgers der kampongs enz. Ook de vorst van Sindegassi had een aanbod gekregen om zich aan te sluiten, maar dit afgeslagen omdat hij onzijdig wenste te blijven.
 
Vroeg in de morgen ontscheepten de troepen en rukten op in de richting van Hilibobo. Instructies verboden alle handelingen die tot gevechten zouden kunnen leiden. Aan de kust werd nu een fort gebouwd en er vonden diverse vriendschappelijke aanrakingen met hoofden plaats.
 
Nadat het fort voltooid was keerde majoor Crena naar Sibogha terug en liet het gezag verder in handen van luitenant Heijligers. Na het vertrek van de hoofdmacht werd te Lagoendi het gezag gehandhaafd. De heersende koortsen echter sleepten menig soldaat ten grave en gaven aanleiding tot voortdurende vervanging van aanvoerders. Heijligers werd bijna stervend geëvacueerd.
 
De redoute was geen aangenaam verblijf; dagelijks kwamen er klachten van vechtende kampongbewoners. Verraad hing in de lucht en de onbeduidendheid van het Nederlandse gezag werd steeds beter zichtbaar. De Brauw3
 
Vaak vond men in de nabijheid van het fort de lijken van vermoorde bevriende Niassers. Soms werden de handelaren vermoord die verversingen aan de bezetting verkochten terwijl de Nederlandse bondgenoten van Fadoro aan roof, plundering en moord blootstonden.
 
Op de 16de februari 1861 vernielde een aardbeving de gehele redoute. De radja van Orahili mat zichzelf intussen de titel aan van "Verdrijver der Hollanders".
 
Generaal-majoor De Brauw, toenmalige gouverneur van de westkust van Sumatra, stelde de regering voor een militaire expeditie naar Nias te sturen om Orahili te straffen.
 
Twee jaar later noemde de radja zich nog altijd Verdrijver der Nederlanders en waren de beledigingen aan de Nederlandse vlag nog steeds ongewroken.
 
In 1863 bleek dat een veertigtal Maleiers een aantal Niassers had geroofd om bij de eerste gelegenheid als slaven te Atjeh te verkopen. Zij hadden zich teruggetrokken in de op een rots gelegen kampong Leulawaoe. Er werd een expeditie uitgezonden, om deze aankomende slaven te bevrijden, die de 7de februari aankwam.
 
De macht bestond uit 5 officieren, 89 onderofficieren en manschappen, 2 mortieren en 100 koelies. Het gelukte niet om door het zware tegenvuur van de vijand heen te komen en de kampong te naderen. Fuselier Seekinger werd op de plaats gedood en zijn hoofd op een staak gesteld. luitenant Meijer werd gewond, evenals luitenant-ter-zee Schuurman en sergeant Diepodrono.
 
De korporaals van Solingen, Bonheim en Smail en de fuseliers Poels, Troenodrono en Kartodtiko raakten dodelijk gewond. Men was gedwongen zich terug te trekken. deze nederlaag droeg niet weinig bij tot ongeloof in de macht van het Nederlandse gouvernement van de kant van de Niassers.
 
Eindelijk kwam de regering te Batavia tot de overtuiging dat na deze herhaalde nederlagen het gezag van de Nederlandse wapens hersteld diende te worden. Nu werd de commandant van de Westkust van Sumatra opgedragen een militaire macht naar Nias te sturen. Gezicht op de westkust van Sumatra
 
En ditmaal sterk genoeg om Leulawaoe te nemen en tevens de kampongs te tuchtigen, die zich in februari 1861 aan roof van geschut, wapens en munitie schuldig hadden gemaakt.
 
De expeditie werd te Padang samengesteld met als staf de expeditie-commandant majoor H.J. Fritzen, chef van de staf W.J.J. Docters van Leeuwen en waarnemend adjudant eerste luitenant der infanterie Diepenheim.
 
In totaal bedroeg de macht 27 officieren en 601 manschappen.
 
Leulawaoe was het hoofdobject, de tuchtiging van Orahili. Hilibobo en Botohosi kwam pas daarna in aanmerking.
 
Van annexatie, om het onder rechtstreeks gezag van het gouvernement te brengen, kon geen sprake zijn, evenmin van onverrichterzake terug te keren.
 
Indien de macht niet sterk genoeg was dan mocht er versterking aangevraagd worden. En tenslotte luidde de opdracht aan Fritzen de operaties zo te leiden dat de expeditie zo spoedig mogelijk weer naar de westkust van Sumatra kon terugkeren.
 
Ingelicht over de ware stand van zaken en ten volle bekend met het prestige, dat de radja's van Orahili niet alleen op geheel Nias bezaten, maar zelfs bij de Maleiers aan de westkust van Sumatra, oordeelde Fritzen dat de bestraffing van Orahili vooraf moest gaan aan de verovering van Leulawaoe.
 
Op de 17de februari gingen de troepen aan boord van de schepen en de 20ste werd Sibogha bereikt. Op de plaats waar eens de benting Hilibobo had gestaan werd een tijdelijke versterking door de Nederlandse troepen opgericht.
 
De hoofdweg van Hilibobo naar Orahili was door de vijand overal tot verdediging ingericht. Fritzen besloot een sinds enige tijd ongebruikt voetpad te nemen teneinde Orahili ongemerkt te kunnen naderen en de stad om te trekken. Deze werd ingenomen na een scherp gevecht en met een verlies van drie doden en negen gewonden.
 
Na de verovering van Orahili werd besloten tot de verovering van Leulawaoe. Er werden berichten ingewonnen naar het bestaan van een weg van Botohosi hier naar toe. Omdat deze weg door de te verwachten tegenstand niet tot de mogelijkheden leek te behoren besloot Fritzen zich te bepalen tot het bestraffen van Botohosi en daarna via zee Leulawaoe aan te vallen. Nias kaart
 
Een colonne, samengesteld uit 2 compagnieën infanterie, tien man der landingsdivisie met een officier, tien sappeurs en twee mortieren gingen in de ochtend van de 9de juni onder het commando van Goteling Vinnes op mars.
 
Zij bereikten tegen het middaguur de bevriende kampong Onohoure. Tegen vier uur stootte men op de eerste versterkingswerken van Botohosi, die, evenals Botohosi zelf, bestormd en veroverd werden.
 
Nu zou Leulawaoe aangevallen worden. De heuvel waarop de kampong was gelegen werd aan drie kanten omsingeld. De vijand ontdekte echter de nadering der troepen en ontruimde zijn vesting zonder gevecht.
 
Nadat de 15de de huizen in brand waren gestoken marcheerde de colonne in 2 dagen over Onolare naar Seroemboe terug.
 
Aldus was aan de instructie voldaan. Hilibobo, Orahili en Botohosi waren gestraft, Leulawaoe was vernield. De machtige radja van het eiland zou machteloos in de bossen rondzwerven en de Niassers hadden het zwaard van het gouvernement gevoeld.
 
Met het doel om feitelijk bezit van het eiland te nemen had men een post aan de ongezonde Lagoendi-baai opgericht en daaraan veel mensenlevens en grote geldsommen opgeofferd. Vier jaar later was men weer van denkbeeld veranderd en werd die post ingetrokken.
 
Men had in dat korte tijdsbestek verwacht dat met die onvoldoende middelen de houding der sultans (die zich  van de Nederlandse wapens meester maakten) zou veranderen. De attitude  echter van de slavenhandelaren te Leulawaoe was een duidelijk teken van het tegendeel.
 
De weifelende politiek die te Nias was gevolgd werkte voor het gouvernement nadeliger dan voor de Niassers. Het gouvernement verspilde geld en bloed, de Niassers, die sinds eeuwen onderling de oorlog voerden, alleen maar een oorlog meer.  De Nederlandse nederzetting opgeven en het verlaten van Lagoendi was derhalve een fout.

 
f t