Nieuw Guinea


 

Oorlog in Nieuw- Guinea (1950 tot en met 1962)


Bezoek ook eens onze pagina over Bronbeek. Voor meer informatie voor veteranen, zie de website voor veteranen die in Nieuw Guinea hebben gediend.


Begin

In 1949 werd Nieuw Guinea buiten de soevereiniteitsoverdracht gehouden maar in de loop van de jaren vijftig werden alle Nederlanders door Soekarno gesommeerd uit Indonesië te vertrekken. Hierop stuurde de Nederlandse regering steeds meer troepen daarheen en weigerde intussen (de ijskastpolitiek) met Indonesie over Nieuw Guinea te praten.

In 1949 waren er op Nieuw Guinea Economische waardeslechts vier pelotons, waarvan een dat uit Papoea's bestond, die samen met de Algemene Politie voor orde en rust dienden te zorgen. In december 1949 werd een bataljon van de Koninklijke Landmacht (het zevende bataljon Garderegiment Prinses Irene), vergezeld van een compagnie aan en afvoertroepen ter aanvulling naar Nieuw Guinea gestuurd.

In de eerste maanden van 1950 kwamen nog omstreeks 500 militairen van het KNIL over en in oktober een infanteriecompagnie van het Korps Mariniers. Vanaf 1950 werd deze sterkte  (dan ongeveer 1.500 man) op peil gehouden door een systeem van individuele aflossingen.

Wat betreft de Marine: in december 1949 vertrokken Hr. Ms. korvet  Boeroe en Woendi en een aantal kleinere transportschepen richting Nieuw Guinea. Aan boord bevonden zich 265 man van Handel op guineade MLD en de Amfibische Dienst Oosten en 900 ton aan zwaar materieel. Daarnaast werden 3 Catalina vliegboten en 3 Catalina amfibietoestellen van de MLD ingezet, die samen het nr. 7 squadron vormden (vanaf februari 1952 het Nr. 321 squadron).

In de loop van 1950 werd de sterkte van vloot en walpersoneel opgevoerd tot 1.000 man en nog tot 1955 bleet de strijdmacht op Nieuw Guinea slechts bestaan uit een aantal oorlogsschepen, een squadron transportvliegtuigen, een infanteriebataljon, een marinierscompagnie en enkele ondersteunende diensten (gemiddelde sterkte ongeveer 2.500 man).

 

Oplopende spanningen

In 1958 dwong de oplopende spanning met Indonesie en de aldaar toenemende slagkracht de Nederlandse regering de verdedigingscapaciteit van Nieuw Guinea op te voeren.

Pinups

Eind 1958 werden twee radars met personeel overgevlogen, de landmacht keerde datzelfde jaar terug naar Nieuw Guinea met een detachement commando´s en in 1959 de 936ste afdeling lichte luchtdoelartillerie.  Datzelfde jaar werd het wettelijk mogelijk dienstplichtigen van de landmacht en de luchtmacht naar Nieuw Guinea te sturen. Hollandia

In 1960 werd de sterkte aan beschikbare strijdkrachten verdubbeld tot ruim 5.000 man. Door Hr. Ms. Karel Doorman werden twaalf Hawker Hunter straaljagers en twee Alouette helicopters overgebracht en de landmacht werd versterkt met een infanteriebataljon, 6IB. Vanaf 1 november 1960 stonden de eenheden onder bevel van de Commandant Strijdkrachten in Nieuw Guinea (COSTRING). Deze was daarnaast Commandant Zeemacht Nederlands Nieuw Guinea.

In de jaren 1961 en 1962 werd de strijdmacht op Nieuw Guinea verdubbeld met twee infanteriebataljons (het 17de en 41ste) en twee afdelingen Landing der Japannersluchtdoelartillerie (940 en 928) van de landmacht. Verder met twaalf Hawker Hunters en zes Dakota´s van de luchtmacht (336 squadron) en twee marinierscompagnieen, verschillende jagers en fregatten en twee onderzeeboten.  De sterkte van de krijgsmacht op Nieuw Guinea bedroeg toen bijna 10.000 man.

Een succesvolle verdediging werd echter moeilijk doordat de eigen Nederlandse eenheden gespreid waren, de aanvoerlijnen lang, er geen concrete steun van de bondgenoten kwam en omdat er in 1962 een leger van 30.000 Indonesische militairen klaarstond voor een aanval. Doordat er steeds moeite met de werving was, de aflossingen traag verliepen en er uitval optrad werd de beoogde sterkte van de Nederlandse troepenmacht zelden tot nooit bereikt.

Ook trad er achterstallig onderhoud bij het materieel aan het licht. Een monteur op Biak zei dat hij zulke apparaten nog nooit had gezien. Niet te geloven. Een stokoude radar die nog werkte met triodes en niet met magnetrons. Ik heb mij behoorlijk in die apparatuur moeten verdiepen. Er kwamen de meest vreemdsoortige storingen in voor waar ik nog nooit van had gehoord. (bron: Afscheid van Nieuw Guinea, bladzijde 118).

Taken

De belangrijkste taken van de militairen waren het bestrijden van Indonesische infiltratiepogingen, het handhaven van rust en orde en het verlenen van militaire bijstand aan de politie. Vooral de eerste taak was lastig omdatg het aantal beschikbare grondtroepen, marineschepen en vliegtuigen niet voldoende was om de lange kustlijnen en het luchtruim te bewaken en te beveiligen. Opleiding PapoeaAlleen al de negen detachementen van de landmacht liepen in de jaren 1950 tot en met 1954 meer dan vierhonderd patrouilles. 

De marine deed ook patrouilles en brachten tevens de zeebodem en dieptes in kaart en verwijderde mijnen. De luchtmacht kampte in deze jaren veelal met onderhoudsproblemen en uitval van de operationele inzetbaarheid van haar materieel.

Toenemende strijd

Vanaf begin 1961 werd de strijd harder en vielen aan Nederlandse kant ook doden. De Indonesische luchtmacht kreeg vrij spel en ging ertoe over grote groepen para's boven delen van Nieuw Guinea af te werpen. OverijsselDe Indonesiers bereidden bovendien een grote aanval voor, operatie Djajawidjaja en de aanvalsvloot, benodigd hiervoor, vertrok op 14 augustus 1962 naar Nieuw Guinea.

Deze aanval ging uiteindelijk niet door omdat een wapenstilstand, het Akkoord van New York, op 18 augustus van kracht werd. Na deze datum waren alle activiteiten verder gericht op de overdracht van Nieuw Guinea aan de VN vredesmacht UNTEA en op repatriering. In totaal sneuvelden 9 Nederlanders en overleden er 94 door ongeval of ziekte.

 

Deelnemers

Een van de personen die uitgezonden werd was Cornelis Jan Vriesema, die eind 1960 als marinier te Manokwari werd gelegerd en Zuiderkruisingedeeld bij de verkenning- en inlichtingendienst. De werkzaamheden bestonden voornamelijk uit patrouille lopen en overleven in de jungle. Hij werd opgeleid om te infiltreren in gebieden waar nooit militairen kwamen. 

Terug in Nederland werd hij op Schiphol in een landmachtbusje geduwd en na twee dagen werd hij in Doorn afgekeurd. Piet van der Drift werd als zeemilicien  van het Korps Mariniers in 1960 uitgezonden naar Nieuw Guinea, waar hij werd geplaatst te Biak en later te Sorong. Zijn taak was om land en volk te verdedigen tegen de dan toenemende Indonesische infiltranten.  Hij deed onder meer loop en vaarpatrouilles.


 

 

f t