Trieling_C.L._-_kopie


Carel Lodewijk (Boengkie) Trieling (Bandoeng, 23 februari 1917, overleden in Arnhem, 18 december 1986) was een Nederlandse luitenant-kolonel en commandant van de commandotroepen. Trieling werd per 18 december 1934 benoemd tot soldaat, op 16 juni 1935 bevorderd tot brigadier en in Op een hindernis1938 benoemd tot reserve officier van het KNIL.

Ín de rang van vaandrig werd hij met ingang van 29 juni 1941 benoemd tot reserve tweede-luitenant der infanterie;dat was gelijktijdig met Sjoerd Lapré (later benoemd tot RMWO). In 1946 werd hij bevorderd tot reserve eerste luitenant en trad hij toe tot het Antjing Nica (of vijfde) bataljon, dat was opgericht door luitenant-kolonel J.C. Pasqua en later onder leiding stond van luitenant-kolonel A. van Santen. Later was hij actief bij het Depot Speciale Troepen van kapitein Raymond Westerling.

Politionele Acties en Korea

In deze rang werd hij bij Koninklijk Besluit van 30 november 1949 nummer 32 begiftigd met de Bronzen Leeuw. Dat was voor zijn activiteiten tijdens de Politionele Acties. In de toekenning stond dat: Trieling zich door het bedrijven van moedige en beleidvolle daden in de strijd tegen de vijand in september 1947 had onderscheiden scannen0002door tegen veelal sterkere terroristische benden op Midden Java, met als belangrijkste acties die tegen kampong Baloeng op 8 september 1947 en tegen kampong Polehan op 19 september 1947.

In het bijzonder door daarbij, optredende als zelfstandig compagniescommandant, hetzij onder bevel van zijn bataljonscommandant, steeds uitnemende aanvoerderseigenschappen te tonen en bij hachelijke situaties snel, doeltreffend en met groot elan op te treden, waarbij hij bijzondere moed, initiatief  en tactisch inzicht betoonde, waardoor hij, door het uiterste uit zijn troep te halen, belangrijke successen wist te boeken. Verder door bij deze acties de vijandelijke benden zware verliezen toe te brengen, terwijl tevens vele wapens, munitie en waardevolle documenten werden buitgemaakt.

Trieling werd op 1 juli 1950 benoemd tot kapitein bij de Koninklijke Landmacht en nam in deze rang deel aan de Korea Oorlog. Toen de nieuwe bataljonscommandant luitenant-kolonel G.H. Christan op 22 september 1951 in het ziekenhuis belandde werd diens commando in eerste instantie overgenomen door de oude detachementscommandant, luitenant-kolonel Eekhout, maar deze droeg het commando om medische redenen op 4 oktober over aan plaatsvervangend commandant Trieling.

Voor zijn verrichtingen werd Trieling onderscheiden met de Chungmu with Goldstar. Bij Koninklijk Besluit van 27 januari 1953 nummer 18 kreeg hij toestemming tot het aannemen en dragen der versierselen.

Palestina

In november 1957 werd hij bevorderd tot majoor en in die rang in juni 1958 naar Palestina gezonden; dat was samen met vijf andere officieren om daar op te treden als militair waarnemer in het kader van de bestandscommissie van de Verenigde Naties. Dit was mede om toezicht te houden op de naleving van de wapenstilstandsovereenkomst tussen Israël en de omliggende landen. De vijf overige officieren waren de kapiteins G.C. van Gorcum, M. de Boer, W. de Vries, F. van Ginkel en W.S.M. Kruse. Trieling en Van Ginkel zouden de twee Nederlandse officieren (onderdeel van de waarnemingsgroep der Verenigde Naties in Libanon) vervangen, die terug naar Nederland zouden gaan.

In oktober 1963 werd Trieling bevorderd tot luitenant-kolonel en op 15 maart 1965 aangesteld als commandant van het Korps Commandotroepen te Roosendaal (hij bekleedde deze functie slechts een jaar). Trieling werd in mei 1966 aangesteld tot hoofd bescherming bevolking afdeling Groningen. Hij bekleedde deze functie in ieder geval tot 1971.

Zie ook


 

[ Terug
f t