Gebruikerswaardering: 4 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter inactief
 

12. Berenschot

 


Dit artikel is mogelijk gemaakt door de familie Berenschot. Alle afbeeldingen zijn eigendom van de familie Berenschot. Het unieke fotoalbum is hier te bekijken


Familie 

Karakter van Berenschot

Vroege loopbaan

Bij het Korps Marechaussee

Patrouilles

Activiteiten in Nederland

Commandant van het zesde regiment infanterie

Hogere echelons

Politieke mening

Opmaat naar de verovering van Nederlands-Indië door Japan

Commandant van het KNIL

Berenschot en de verdediging van Nederlands-Indië

Overige bewapeningsmaatregelen

Dood van Berenschot

Nasleep

Opvolging

Bronvermelding

Archief

 

Familie

De Berenschots waren oorspronkelijk afkomstig uit de Achterhoek en in eerste instantie voornamelijk werkzaam als boer. Gerardus Johannes (Johan) Berenschot werd geboren te Solok op 24 juli 1887. Hij was de zoon van kolonel Gerrit Hendrik Berenschot (later gemeeBerenschot met zijn broernteontvanger in Winterswijk) en Florence Mildred Rappa en had twee broers: George, in 1918 overleden aan de Spaanse griep, en Willem, de latere stichter van Bureau Berenschot. Berenschot trouwde op 8 juli 1908 met zijn buurmeisje uit Winterswijk Margaretha Catharina de Boer, dochter van dominee S.R. de Boer en H. Wigersma.

Het echtpaar kreeg drie kinderen, namelijk Hendrik Willem, Hilda Margaretha en Florence Mildred. Vlak na de dood van generaal Berenschot (oktober 1941) werd Nederlands-Indië bezet door Japan en de weduwe van Berenschot verdween in een  Jappenkamp. Na de bevrijding vertrok zij naar Nederland en trok in bij haar schoonvader te Winterswijk.

Karakter van Berenschot

Berenschot was een man met een veelzijdig karakter. Hij was zeer sportief (wandelen, fietsen, paardrijden) aFamilieportretangelegd, intelligent, met veel gevoel voor humor en een echte familieman, die zeer aan zijn gezin gehecht was. Al deze zaken komen duidelijk naar voren in de vele brieven die zich in zijn nalatenschap bevinden. Berenschot had een karakteristieke houding; tijdens betogen liep hij heen en weer, onderstreepte zijn woorden met een enkel handgebaar en hield zijn ogen soms in aandachtige concentratie gesloten.

Berenschot stond bekend om zijn onblusbare energie en verscheen, tijdens zijn werkzaamheden, soms bij nacht en ontij in het veld. Indien men  zich trachtte te verschuilen achter de reglementen dan vroeg Berenschot steevast: Maar wat denkt u er zelf van? Zelfs toen Berenschot de functie bekleedde van commandant van het KNIL wist hij zijn soberheid te bewaren, bleef hij openstaan voor nieuwe  denkbeelden, die hij vervolgens toetste op de werkelijke waarde. Fouten die hij maakte erkende hij als eerste en hij had een open oog voor de omstandigheden zoals die zich werkelijk voordeden, zodat hij kon afwijken van de reglementen, indien hij dit noodzakelijk achtte.

Brief1Brief2Brief3

 

 

 

 

 

 

 

Vroege loopbaan

Berenschot volgde de driejarige HBS in Winterswijk (zijn examen werd uitgereikt met de aantekening: zeer goede vorderingen) en  kwam in augustus 1902, na het behalen van het toelatingsexamen, voor plaatsing op de cadettenschool in Alkmaar in aanmerking; hij was aldaar uiteindelijk bestemd voor de dienst in Nederlands-Indië, eerst die der genie en later der infanterie (eigen keuze).

Hij legde in juli 1907 met goed gevolg het officiersexamen af aan de Koninklijke Militaire Academie en verkreeg diezelfde maand van de gouverneur van de Academie, Louis Christiaan van den Brandeler, namens de minister van oorlog, Willem Frederik van Rappard, een ereprijs uitgereikt, bestaande uit een gouden horloge met inscriptie en een gouden ketting. 

Horloge BerenschotHorloge Berenschot2

 

 

 

 

 

Deze ereprijs werd eens in de twee jaar uitgereikt aan ten hoogste twee cadetten van het derde studiejaar, die tijdens hun verblijf op de Academie bijzonder hadden uitgeblonken in  studie en gedrag. De prijs was indertijd voor het laatst in 1904 uitgereikt.

Bij Koninklijk Besluit van 19 juli 1907 nummer 85 werd Berenschot benoemd tot tweede luitenant der infanterie en vervolgens à la suite bij de Koloniale Reserve aangesteld. Hij vertrok op 11 juli 1908 per  Hr. Ms. Grotius met zijn echtgenote naar Nederlands-Indië (hij scheepte zich in te Genua) en werd aldaar geplaatst bij  het garnizoensbataljon (eerste bataljon) van Celebes, Menado en Timor, standplaats Madjene.

In december van dat jaar werd hij overgeplaatst naar het negentiende bataljon korpsgedeelte Madjene. Berenschot werd overgeplaatst naar het achtste bataljon te Bali en in januari 1910 ter nadere indeling overgeplaatst bij de troepenmacht te Atjeh. Hij werd te Atjeh eerst geplaatst bij het derde bataljon te Kota Radja en in april 1910 overgeplaatst naar het veertiende bataljon te Meureudoe.

Berenschot linksOpleiding BerenschotGezin Berenschot

 

 

 

 

 

 

Bij het Korps Marechaussee

 Berenschot werd op 7 juni 1911 bevorderd tot eerste luitenant en omstreeks dezelfde tijd overgeplaatst van het veertiende bataljon naar het Korps Marechaussee te voet te Atjeh; gedurende deze tijd werd hij à la suite Portretfoto 3van zijn wapen gevoerd. Hij werd in juni 1913 teruggevoerd van dit à la suite en in oktober van de vijfde divisie te Lho Soekon overgeplaatst naar de tweede divisie van het Korps Marechaussee. 

In januari 1915 werd Berenschot op zijn verzoek eervol ontslagen bij het Korps en overgeplaatst, eerst naar het tiende en in maart 1915 naar het negende bataljon. In januari 1916 werd hij geplaatst bij het 20ste bataljon.

 Bij Koninklijk Besluit van 31 maart 1916 nummer 28 werd bepaald dat Berenschot bij afzonderlijke dagorders, zowel in Nederland als in Nederlands-Indië, alsnog eervol werd vermeld voor zijn verrichtingen in het gouvernement Atjeh en Onderhorigheden gedurende de jaren 1910 tot en met 1912. In maart 1916 werden op Java drie afdelingen Marechaussee gelegerd.

Deze afdelingen met officieren werden ingedeeld bij het 10de, 20ste en 15de batajon. De drie afdelingen hadden een gezamelijke sterkte van ongeveer 200 man; hierbij werden de luitenants Berenschot, De Jong Swemer en Binnendijk ingedeeld en dit kader volgde te Tjimahi eerst nog een cursus in het gebruik van springstoffen. Niet lang hierna vertrok Berenschot wegens langdurige dienst als officier met verlof naar Nederland. Hij keerde op 8 september 1917 per Hr. Ms. Grotius met echtgenote en twee kinderen terug naar Nederlands-Indië.

Patrouilles

In de tijd die Berenschot doorbracht bij de Marechaussee nam hij deel aan diverse patrouilles ter opsporing van de Samarkilangbende. Hij was de eerste die deze bende op het spoor kwam toen hij met zijn  brigade patrouilleerde  in het terrein tussen de Kroeng Biding en de Kroeng Peutoe. Deze patrouille vond op 17 januari 1912 aan de oorsprong van een kleine aloë enkele oude kapsporen en in de omgeving werd een vrijwillig verlaten schuilplaats gevonden waarin zich Toekoe Di Mate Ie en enige volgelingen hadden opgehouden.

Omdat een vrijwillige verlating gewoonlijk over een niet al te grote afstand plaatsvond werd besloten de omtrek zorgvuldig af te patrouilleren. De 18de werden in de namiddag enkele kuilen, gegraven voor het zoeken naar aardvruchten, gevonden. Spoedig daarop werd een verlaten schuilplaats ontdekt. Omdat uit de stand deMedailles Berenschotr zaken kon worden afgeleid dat de bewoners voedsel aan het zoeken waren en tegen de avond terug zouden keren werd besloten op een afstand van ongeveer 100 meter vier hinderlagen te leggen.

De opdracht was om allen die binnenkwamen ongehinderd door te laten en de trein werd opgesteld bij de afdeling waarbij de kans op actie het geringste werd geacht. Aldaar vond echter de eerste actie plaats; twee personen konden onschadelijk worden gemaakt maar de rest vluchtte het woud in.

De 26ste werd gezocht naar sporen en in de dagen erna gepatrouilleerd tot men de 5de februari terug in het bivak kwam. Als gevolg van de intensieve patrouilles kwamen twee leden van de bende zich uitgehongerd melden maar de overgebleven leden trokken verder de jungle in en werden in de jaren die daarop volgden niet gevonden.

Berenschot was door genoemde activiteiten gerechtigd tot het dragen van het Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven met de gespen Atjeh 1906-1910 en Atjeh 1911-1914.

Activiteiten in Nederland

Berenschot deed toelatingsexamen voor de Hogere Krijgsschool en vertrok op 13 augustus 1919 met zijn echtgenote en drie kinderen (de latere ingenieur Hendrik Willem, en Portretfotode dochters Hilda Margaretha en Florence Mildred) per stoomschip Insulinde naar Nederland, om zo aldaar de lessen te kunnen volgen. Hij werd op 19 augustus 1919 bevorderd tot kapitein en in december 1922 gedetacheerd bij het hoofdbureau van de generale staf en ingedeeld bij het subsistentenkader te Bandoeng.

In april 1923 werd hij voor de duur van twee  maanden gedetacheerd bij de veldartillerie te Tjimahi en vervolgens een maand te Banjoebiroe voor het bijwonen der oefeningen van de bergartillerie. Bij Koninklijk Besluit van van 4 september 1924 nummer 23 werd hij gedetacheerd bij het Nederlandse leger; in december 1924 werd hij tot uiterlijk 1 november 1930 als leraar gedetacheerd aan de Hogere Krijgsschool in Den Haag en hij vertrok hiertoe op 3 december per Prinses Juliana met vrouw en drie kinderen naar Nederland.

Hogere KrijgsschoolKrijgskundige studiesToegepaste studie

 

 

 

 

Tijdens zijn detachering aan de Hogere Krijgsschool was Berenschot tevens bestuurslid van de Vereniging tot Bevordering van de Krijgswetenschap. Hij werd uitermate gewaardeerd door de leerlingen van de Krijgsschool, waar hij les gaf in tactiek en strategie, en stond aldaar bekend als een scherpzinnig, knap en eerlijk man (Bron: De Nieuwe legerchef. In: Soerabajasch Handelsblad, 20 maart 1939).

Met ingang van 17 september 1928 werd Berenschot bevorderd tot majoor met de bepaling dat hij in zijn nieuwe rang bij de generale staf en als leraar aan de Hogere Krijgsschool in Den Haag geplaatst bleef. Generaal BerenschotHij werd in oktober 1930 benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau en  in zijn functie van leraar aan de Hogere Krijgsschool eind 1930 opgevolgd door kapitein der infanterie W. Schilling.

Berenschot vertrok met zijn vrouw en kinderen op 2 december 1930 per stoomschip Johan van Oldenbarnevelt terug naar Nederlands-Indië, waar hij werd teruggeplaatst bij het wapen der infanterie en op 3 februari 1931 bevorderd tot luitenant-kolonel.

 Commandant van het zesde regiment infanterie 

Terug in Nederlands–Indië werd Berenschot benoemd tot commandant van het vierde bataljon infanterie te Tjimahi. Hij was daarnaast actief als voorzitter van het hoofdbestuur van de Nederlands–Indische officiersvereniging; Berenschot te paard met rechts Murk Boerstrain deze functie sprak hij onder meer over de mogelijkheid tot het aanvaarden van de voor burgelijke landsdienaren voorgestelde wijzigingen in de pensioenregelingen, die dan ook voor officieren zouden gelden.

In augustus 1932 werd hij eervol ontheven van het commando over het vierde bataljon infanterie te Tjimahi alsmede van de waarneming van het commando over het tweede regiment infanterie te Bandoeng; na afloop van de oefeningen van de eerste divisie en na de overgave van zijn commando's werd hij ter beschikking gesteld van het hoofd van de generale staf.  In dezelfde tijd werd hem een onderzoek naar een overweging van het capitulantenstelsel opgedragen en kreeg hij tevens te onderzoeken of dit stelsel commissoriaal te maken was. Dit onderzoek leverde echter geen positieve resultaten op.

In december 1932 werd Berenschot benoemd tot commandant van het zesde regiment infanterie en met ingang van 28 december 1932 Berenschot en echtgenote 2bevorderd tot kolonel te Malang. Vlak na zijn aantreden vertrok hij op dienstreis ter inspectie der militaire inrichtingen naar Kediri. Het jaar daarop ontving Berenschot de gouverneur-generaal Bonifacius Cornelis de Jonge te Malang; De Jonge betuigde na afloop van het defilé aan Berenschot zijn tevredenheid over de houding der troepen en van deze waardering werd dan ook melding gedaan in de garnizoensorders.

In mei 1934 werd Berenschot ontheven van zijn functie als commandant van het zesde regiment infanterie te Malang en overgeplaatst naar het subsistentenkader te Bandoeng en ter beschikking gesteld van het hoofd van de generale staf.

Berenschot werd aangesteld als waarnemend chef van de generale staf in verband met de afwezigheid van generaal majoor Murk Boerstra, vanaf 1935 commandant van het KNIL. In juni 1934 werd hij overgeplaatst van het subsistentenkader te Bandoeng naar het hoofdkantoor van de generale staf.

Hogere echelons

Berenschot werd nu benoemd tot hoofd van de VII afdeling A van het Department van Oorlog en tevens aangesteld als hoofd van de generale staf en inspecteur van de MilitaireBerenschot rechts te paard links Murk Boerstra zijn voorganger Luchtvaart. De reden dat Berenschot toen niet bevorderd werd tot generaal-majoor was dat er een algehele stopzetting van promoties in de hogere betrekkingen van het leger was ingesteld.

In oktober 1934 werd de bemanning van de Uiver te Bandoeng gehuldigd en maakte Berenschot deel uit van de huldigingscommissie. Datzelfde jaar ontving hij samen met majoor L.H. van Oyen gouverneur-generaal De Jonge en woonde hij, samen met legercommandant L.C. Koster, de manoeuvres te Grissee bij.

Bij Koninklijk Besluit van 11 juni 1935 nummer 41 werd Berenschot bevorderd tot generaal-majoor; hij was naast zijn officiële functies ook voorzitter van de Koninklijke Nederlands-Indische Officieren Sociëteit (KNIOS), waar hij in februari 1936 de prijzen uitdeelde tijdens het 18de KNIOS wapenfeest.

Toen de legercommandant, Murk Boerstra, in december 1936 voor verlof naar Nederland vertrokken was nam Berenschot tijdelijk diens zaken waar en in maart 1937 maakte hij een tiendaagse inspectietocht door Borneo.

Berenschot verkreeg, onder voorbehoud dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit het belang van het land zich niet zou verzetten tegen een vertrek met buitenlands verlof, een verlof van zeven maanden naar Europa toegekend wegens zes jaar onafgebroken dienst in Nederlands–Indië. Berenschot en zijn familie vertrokken de 14de juli 1937 van Batavia per stoomschip J.P. Coen.

Militaire demonstratieMilitaire parade

 

 

 

 

 

Politieke mening

Berenschot meende dat de weerbaarheid van Nederlands–Indië in 1937 was toegenomen door de versterking van de oliehavens, van de vlootbasis en door de modernisering van de luchtmacht. Hij meende dat de bommenwerpers, indien men over een voldoende aantal kon beschikken, de preventieve waarde van de weermacht zouden verhogen.

Wat betreft de luchtafweer meende Berenschot dat er belangrijke maatregelen genomen waren, waaronder de bestelling van grote hoeveelheden luchtdoelartillerie maar hij was niet tevreden over de zijns inziens zeer lange levertijd, soms tot anderhalf jaar en hij was zeer voorzichtig in zich te optimistisch toneVliegtuigdemonstratiesn; hij zei: wij halen geleidelijk onze achterstand in wat het gevechtmateriaal betreft en er wordt hard gewerkt aan de uitbreiding van het bedieningspersoneel. Dat de financiering van een sterke defensie ook toen op zware problemen met de politiek stuitte bleek uit Berenschots reactie toen de mogelijkheid van een inheemse militie geopperd werd.

Hij zei hierover: wij zullen, dat kan als axioma worden aangenomen, ons beroepsleger voor de taak van het handhaven van orde en rust  moeten handhaven. Maar moeten wij daarnaast ook nog een militieleger oprichten?

Wie zal dat betalen? En over roeien met de beperkte riemen die hij had zei hij: wie zin heeft voor de werkelijkheid zal inzien dat de som geld die voor het leger beschikbaar is gesteld het beste rendement kan geven als het wordt besteed aan een betrekkelijk klein maar goed uitgerust en goed geoefend leger (Bron: Onze defensie. Onderhoud met generaal Berenschot. De Sumatra Post, 19 juli 1937).

In een interview met Officiele bijeenkomst de gouverneur generaal bezoekt de troepen links vooraan BerenschotHet Vaderland zei Berenschot dat z.i. de preventieve werking van de Indische defensie, vooral door de snelle versterking van de luchtafweerkrachten, met de dag groter werd. In een interview met de N.R.C. meldde hij echter nogmaals dat de voorgaande diepgaande bezuinigingsperiode niet bevorderlijk voor leger en vloot was geweest en dat tot 1935 leger en vloot tot op het bot waren wegbezuinigd.

Wel was sinds 1936 meer budget voor het leger beschikbaar maar een beperkende factor waren steeds de lange leveringstijden, waar Berenschot nogmaals naar verwees. Hij zei: het is echter te betreuren dat de versterking van leger en vloot niet sneller plaats kan vinden. De wapens die het snelst konden komen waren de Glenn Martin's, die in Amerika in serie vervaardigd werden; en deze waren, volgens Berenschot, onschatbaar voor een land als Nederlands–Indië, waar men niet beschikte over fabrieken vliegtuigen, motoren, wapens, radio's en andere instrumenten (bron: Generaal Berenschot geeft in een onderhoud zijn mening. In: Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, 11 oktober 1937).

Opmaat naar de verovering van Nederlands-Indië door Japan

Berenschot werd bij Koninklijk Besluit van 30 augustus 1937 benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en in september van dat jaar werd hij op het Loo ontvangen door Koningin Wilhelmina. Berenschot bij een parade te Batavia in 1941Berenschot logeerde indertijd in Hotel Gooiland in Hilversum. Op 6 november 1937 kwam hij bij Prins Bernhard op audiëntie in het Paleis op het Noordeinde; dit was de eerste officiële audiëntie van de Prins.

Daarnaast was Berenschot uitgenodigd als spreker op de Noord-Brabantse Indiëdag, waar hij een uiteenzetting gaf over de samenstelling van het Indische leger. In januari 1938 schreef hij in het tijdschrift De Waag het artikel Nederland overzee: bombardementsvliegtuigen voor Indië en in datzelfde tijdschrift verscheen op 15 januari 1938 het artikel Nederland overzee: het Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger, dat was ontleend aan beschouwingen die Berenschot tijdens de Indiëdag, waarover eerder, had gehouden.

Bespiegelingen over deze artikelen verschenen later in Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, op 4 februari 1938 en de Indische Courant, op 8 februari 1938. Daarnaast verscheen in Het Vaderland een beschouwing van de rede van Berenschot van 14 december. 

Dat de rede van Berenschot zoveel aandacht op zich vestigde Berenschot20kwam door de volgende opmerkingen: De rechtstreekse verdediging van Indië door het leger tegen grote ondernemingen bepaalt zich tot de vier genoemde punten, Tarakan, Balipapan, Soerabja en Tandjong Priok. Het uitgestrekte gebied van de Buitengewesten  wordt met uitzondering van de beide oliehavens Tarakan en Balikpapan niet door het leger verdedigd.

Evenmin geschiedt dit, m.i. door de vloot. Tegen de veroveringspoging stelt de vloot zich niet teweer, zodat het niet overdreven is te zeggen  dat de gewesten buiten Java in feite weerloos zijn. Berenschot vestigde de hoop de Buitengewesten te verdedigen op de (versterking van de)  luchtmacht (wel wetende dat de luchtmacht uiterst zwak was tegen een machtige tegenstander) (Bron: De Indische defensie II. In: Het Vaderland, 5 februari 1938). Berenschot keerde uiteindelijk op 12 januari met zijn familie per Sibajak vanaf Rotterdam naar Indië terug. Aldaar aangekomen reisde hij direct per

Commandant van het KNIL

Berenschot woonde in oktober 1938 de legermanoeuvres in Grissee bij en vertrok vervolgens per Glenn Martin naar Bandoeng. In december van dat jaar stelde de vereniging Ons Leger een speciaal nummer over het KNIL samen, waaraan ook Berenschot zijn medewerking verleende. Berenschot21Bij Koninklijk Besluit  van 11 maart 1939 nummer 98 werd hij met ingang van 26 juli 1939 benoemd tot commandant van het KNIL en bevorderd tot luitenant-generaal.

De vader van Berenschot, Gerrit Hendrik Berenschot, dan 82 jaar oud, zei naar aanleiding van de promotie van zijn zoon: en toch... had ik hem liever hier gehad. Ik ben nu 82 jaar en zou hem graag in mijn levensavond bij mij hebben gehad. Maar ik weet dat hij deze functie niet kan afwijzen en dan heb ik te berusten (Bron: Fraaie onderscheiding voor oud Winterswijker. Generaal G.J. Berenschot benoemd tot legercommandant. In: De Graafschapbode, 7 maart 1939).

De overdracht van het commando vond plaats op zaterdag 22 juli 1939 op het vliegveld Andir te Bandoeng. Daarna vond een wapenschouwing en een inspectie, gevolgd door een defilé plaats.  Aan de wapenschouwing namen de garnizoenen Bandoeng, Tjimahi en Batoedjadjar en de Militaire Luchtvaartdienst deel. De generaals Boerstra en Berenschot hielden daarnaast toespraken.

In zijn toespraak zei Berenschot onder meer: 22. Lockheed Lodestar waarmee Berenschot verongelukteIk weet dat gij allen, over wie ik straks het bevel zal voeren, uw taak met toegewijde ijver vervult, onverschillig of gij in dit uitverkoren garnizoen of ver van hier op een eenzame post zijt geplaatst.

Bij de aanvaarding van het legercommando heb ik u dan ook slechts dit te zeggen: blijf er een eer in stellen uw plicht te doen op de wijze zoals het tot nu toe van u verlangd werd. Dan weet ik, en allen in het land met mij dat gij, wanneer het ogenblik daarvoor mag aanbreken, pal zult staan voor de handhaving van de Nederlandse vlag in Nederlands-Indië, dat gij bereid zult zijn daarvoor het hoogste offer te brengen.

Vervolgens hield Berenschot een rede in het Maleis (Bron: Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, 22 juli 1939). In november 1939 bracht Berenschot een eerste bezoek aan Soerabaja en ter gelegenheid van het 50jarig bestaan van het Korps Marechaussee vaardigde hij de dagorder uit waarin hij de gelukwensen van de Koningin overbracht.

Berenschot en de verdediging van Nederlands-Indië

In juli 1940 sprak Berenschot in zijn functie als commandant van het leger en regeringsgemachtigde voor Oorlog (hoofd van het Departement van Oorlog) in de Volksraad. Hij zei onder meer dat de regering en de Volksraad hetzelfde doel voor ogen stond, namelijk een gemeenschap sterk van wil, Berenschot23tot offers bereid en de toekomst moedig onder ogen ziende. Het leger trachtte de positie te versterken maar een zeer beperkende factor waren nog steeds de levertijden (Bron: Soerabajasch Handelsblad, 30 juli 1940).

De positie van Berenschot was een moeilijke, omdat men veel te laat was begonnen het leger te versterken (vanaf 1936), na jaren van bezuinigingen. In 1940 werd het voorstel om de toelatingseisen voor de Militaire Luchtmacht te verlagen afgekeurd; er werd veel te laat gedacht aan de oprichting van een eigen vliegtuigindustrie en er kwamen vragen over de bewapening van de landstormers, die moesten strijden met een model uit 1895 (daar werd van gezegd: "dat de ouderdom van een wapen dit niet als verouderd bestempeld") (Bron: Landstorm behoeft niet ongerust te zijn. Bewapening is voldoende maar wordt nog beter. In: Bataviaasch Nieuwsblad, 30 juli 1940). 

In augustus 1940 werd Berenschot bevorderd tot commandeur in de Orde van Oranje Nassau met de zwaarden. In deze maanden maakte hij een inspectietoernee, gedurende welke hij onder meer Soerabaja bezocht 23. Restanten van het vliegtuig waarmee Berenschot verongelukteen aldaar het vrijwillig oefencorps en de landstormmacht voor de Karangmendjangankazerne inspecteerde.  Hij reisde vervolgens per vliegtuig door naar Tarakan waar hij eveneens een inspectie hield.

In december van datzelfde jaar besprak hij in de Volksraad het regeringsantwoord  in eerste termijn over de oorlogsbegroting. Er waren nog steeds grote zorgen over de gebrekkige wapenleveranties, maar Berenschot zei dat men zich niet door een enkele tegenslag moest laten ontmoedigen en dat alle oorlogsvoerende landen met dit probleem te kampen hadden (Bron: Defensie in de Volksraad. In: Soerabajasch Handelsblad, 11 december 1940). 

In maart 1941 werd het plan van Berenschot bekend gemaakt om een 3.000 mijl lange keten van fortificaties te bouwen. Hij zei ook dat er manschappen genoeg waren maar dat de bewapening maar langzaam binnenkwam. Hij beschreef het nieuwe verdedigingssysteem, waarbij infanterieeenheden zouden worden gelegerd op verwijderde eilanden teneinde de hulpbases der vloot te beschermen. 

Eerder had men gemeend dat het KNIL zich bij de verdediging zou concentreren op Java en Sumatra maar het nu gepresenteerde programma beoogde de verdediging van elk groter eiland, van Borneo tot Nieuw-Guinea. Hij zei hierover: Wij hebben ooit het plan gehad welk eiland hoe ver verwijderd ook prijs te geven, maar verdediging was vroeger, door het betrekkelijk gering aantal beschikbare mannen practisch onmogelijk. Het nieuwe systeem maakt dit wel mogelijk.

Een grotere sterkte op het land zal tevens de nuttigheid van lucht- en onderzeekrachten, die anders wellicht zouden hebben moeten terugtrekken, verhogen en versterken (Bron:Nederlands-Indië breidt zijn verdediging uit. Amigoe, 7 maart 1941). In april 1941 verleende de Nederlands Indische Volksraad  het gouvernement een aanvullend krediet van 30 miljoen gulden, die bestemd was voor defensie, voor het bouwen van een munitiefabriek, verdere legermechanisering, de aanschaf van lichte automatische wapens en de aanleg van nieuwe vliegvelden.

Berenschot kondigde daarnaast aan dat het in de bedoeling lag een militaire missie naar China te zenden en meldde dat de proeven met een parachutistendivisie waren geslaagd.

Overige bewapeningsmaatregelen

Berenschot verklaarde dat het militaire luchtwapen in Nederlands-Indië uit 2.600 man bestond en dat dit aantal in 1942 tot 5.000 zou worden opgevoerd. Intussen werden op zijn bevel in de artilleriewerkplaatsen dagelijks duizenden bommen en tienduizenden patronen gemaakt; alle daarvoor geschikte jongemannen in de leeftijd van 17 tot 27 jaar kwamen in aanmerking in opleiding te komen voor het vliegwapen in Nederlands-Indië.

De bedoeling was dat ieder half jaar 100 vliegerszouden worden afgeleverd voor de landmacht en veertig voor de marine. In mei 1941 hield Berenschot een radiotoespraak waarin hij de strijd en de weerstand in Noord-Holland, de Grebbelinie en het gehele vaderland tegen overmacht en laaghartige methoden herdacht. Hij eerde de nagedachtenis der gevallen en memoreerde de taak van het KNIL in Nederlands-Indië. Hij wekte op met volle kracht voorwaarts te gaan en wees als de taak aan het beschermen van het land en de versterking van de defensieketen van Malaya tot Australië (Bron: Van de legercommandant. In: De Sumatra Post, 12 mei 1941).

In het Een jaar oorlognummer van het Economisch Weekblad schreef hij een stuk, waarin hij  onder meer zei: Hoe dit kon gebeuren, hoe in vijf dagen tijd Nederland kon worden overweldigd, weten wij nu ook wel maar wij kunnen het ons niet genoeg voor ogen houden "opdat wij niet vergeten". Het was onze, van geslacht tot geslacht overgeërfde afkeur van serieuze oorlogsvoorbereiding.

Wij waren rijk en wilden steeds rijker worden. Wij zorgden voor een woning met degelijke meubelen, een welvoorziene dis, een goedgevulde kelder maar wij wilden ons geen uitgaven getroosten voor dikke muren en een stevig dak, die de stormram van roofzuchtige benden zouden kunnen weerstaan. Nederland aanvaardde een kostbaar leger van werklozen maar duldde nauwelijks een zwak  onvoldoende uitgerust leger van soldaten en wenste de werklozen niet te doen werken aan de verdediging (bron: Nieuwe middelen en nieuwe wegen. In: De Sumatra Post, 13 mei 1941).  

Dood van Berenschot

Op maandagmiddag 13 oktober 1941 omstreeks 15.05 uur kwam Berenschot bij een vliegtuigongeval om het leven. Hij had een conferentie met de Britse opperbevelhebber in het Verre Oosten Sir Robert Brooke Popham te Batavia en wilde van daar terugkeren naar zijn hoofdkwartier te Bandoeng. Zijn Lockheedtoestel Lodestar transportvliegtuig stortte vijf minuten nadat het was opgestegen van het nietmilitaire vliegveld Kenajoran neer en vloog vervolgens in brand.

Naast Berenschot kwamen ook de piloot, kapitein kortverbandvlieger van het KNIL Johan Christiaan Frederik Knapp en vier andere militairen van het KNIL (sergeant vlieger Greveling, sergeant monteur Franciscus Van Kampen, leerlingmonteur Siebeling en militair radiotelegrafist Eelco  Heinrich Felix de Haan) en wingcommander van de Engelse luchtmacht Watkins om. De brandweer, die direct gewaarschuwd was, kon niets meer betekenen. 

Door het neerstorten van het vliegtuig ontstond een brand, waardoor een aantal huizen in de as gelegd en 25 inlanders werden gedood. Later zou zijn gebleken dat tijdens de start de linkermotor van het toestel was afgeslagen en de piloot kennelijk geen kans zag het toestel recht te trekken, waarna het met één vleugel omlaag neerstortte. Zie voor meer informatie over de oorzaak van het vliegongeval het artikel Vliegtuigongeval van Berenschot.


  • Johan Christiaan Frederik Knapp (geboren te Kelahoen Pinang op 4 februari 1903)  trad in 1923 in dienst bij het regiment grenadiers te Den Haag en ging vervolgens over naar de Luchtvaartafdeling te Soesterberg. In 1923 werd hij benoemd tot tot reserve tweede luitenant-waarnemer; in die rang kwam hij in 1930 naar Nederlands-Indië, waar hij in 1937 werd bevorderd tot reserve tweede luitenant-vlieger. In januari 1939 kwam hij op de opleiding voor officier-kort verband vlieger, op 5 maart 1940 werd hij bevorderd tot eerste luitenant en op 5 maart 1940 benoemd tot kapitein-kortverbandvlieger. Knapp was gedurende enige tijd werkzaam als piloot bij de KNILM en nam in deze functie deel aan de kartering van Nieuw-Guinea. Hij was getrouwd en had drie kinderen.
  • Franciscus van Kampen (geboren te Schiedam op 5 oktober 1914) kwam in 1935 in de rang van soldaat naar Indië, werd in 1938 bevorderd tot brigade-monteur en op 30 mei 1939 bevorderd tot sergeant-majoor. Hij was ongehuwd.
  • Eelco Heinrich Felix de Haan (geboren op 25 september 1908 te Arnhem) trad in 1931 in Nederland in militiare dienst en kwam in 1938 als vrijwilliger naar Nederlands -Indië. Hij werd eerst geplaatst bij het depotbataljon, bevorderd tot brigadier titulair en benoemd tot radiotelegrafist. Hij was niet getrouwd. 

Uit een ooggetuigeverslag bleek dat het toestel kort na de start met een boog uit het gezicht van het vliegveld verdween; toen het zich boven een kampong in de omtrek bevond en de linkermotor van het toestel leek te worden afgeslagen verloor het toestel hoogte, draaide om de linkervleugel, botste tegen een klapperboom en stortte vervolgens op een kamponghuis.  COLLECTIE TROPENMUSEUM Begrafenis van generaal Berenschot op het Pandoe-kerkhof te Bandung TMnr 10001588Direct hierop vatte de hoofdtank van het vliegtuig vlam  en ontstond er een felle brand, die enige minuten later werd aangewakkerd door het ontploffen van de tweede tank. Er was, door de hevigheid van het vuur, geen mogelijkheid een reddingspoging te doen; kampong en vliegtuig brandden geheel uit.  

De stoffelijke overschotten der slachtoffers werden in het  Militair Hygiënisch Instituut van het Militair Hospitaal te Batavia opgebaard, met een erewacht van vier officieren. In de Indische Courant werd het grote verlies van Berenschot goed omschreven: Generaal Berenschot was een man van buitengewone capaciteiten. Zijn plotselinge dood betekent voor allen, wie de Nederlandse zaak aan het hart gaat een gevoelig verlies (Bron: De Indische Courant, 15 oktober 1941).

Nasleep

Berenschot werd in verschillende bijeenkomsten, zoals die van de Provinciale Raad van West Java, herdacht. De voorzitter van de Volksraad sprak de woorden: in de Volksraad hebben wij mogen ervaren hoe rustig en zonder ophef, hoe welwillend en innemend generaal Berenschot ook hier zijn taak als regeringsgemachtigde heeft volbracht en daarnaast hebben ook wij zijn brede blik gezien en zijn krachtige vastberaden geest gevoeld. Duidelijk sprak ook in ons midden dat niet alleen een uitstekend opperofficier maar ook een goed mens voor ons stond (Bron: Telegram aan de landvoogd. In: De Indische Courant, 15 oktober 1941). 

De regeringsgemachtigde voor Algemene Zaken Dr. H.J. Leveld zei: Generaal Berenschot was een mens die anderen wist te verstaan, die ontvankelijk was voor overleg, die, wars van eigen glorie, in alle oprechtheid slechts één doel voor ogen had: zijn land met al zijn vermogens te dienen (Bron: idem). Minister Charles Welter herdacht Berenschot tijdens een uitzending van Radio Oranje.

In het Soerabajasch Handelsblad stond vermeld: Berenschot was voor de hoofd en subalterne officieren een lichtend voorbeeld van wat met ijzeren zelfdiscipline kan worden bereikt. Voor zijn onderofficieren, korporaals en manschappen was hij een man in wie zij in het grootste vertrouwen opzagen als hun opperbevelhebber die hen zou leiden in de strijd; eGraf te Bandoengen man die groot was in de taak die hem was opgedragen maar die ook groot was als mens (Bron: Generaal Brenschot: de kleine grote man van het Indische leger. In: Soerabajasch Handelsblad, 15 oktober 1941). In hetzelfde artikel werd geschreven: Zij die generaal Berenschot van nabij gekend hebben rouwen echter ook in het heengaan van de mens in deze bekwame officier. Grote gebeurtenissen waren nodig om hem uit de schaduw van zijn bescheidenheid naar voren te roepen. Hij had niets van een indrukwekkend figuur en verschilde in alles van zijn voorganger Murk Boerstra, die de allure van een milles gloriosus had.

Aan Berenschot was alles reserve. Zelfs bij parades was hij er een van volstrekte eenvoud. Hij maakte zich vrienden zonder vrienden te zoeken. Hij was populair in de goede zin des woords zonder naar populariteit te streven.  Hij was een soldaat met de soldaten, een officier met zijn officieren, een mens met de mensen. Zijn oogopslag tekende zijn inborst: zacht, eerlijk, open, in alle opzichten gaaf en betrouwbaar.  Zijn neiging tot wikken en wegen deed geen afbreuk aan  zijn vastberadenheid van zijn doorzetten als eenmaal een besluit genomen was.  Hij was een man van grote werkkracht en een zeer voornaam plichtsbesef (Bron: idem). Berenschot werd te Bandoeng, met groot militair eerbetoon, begraven, samen met sergeant monteur Van Kampen, brigadier De Haan en kapitein vlieger Knapp. Langs de weg stonden duizenden belangstellenden.

Opvolging

De chef van de generale staf, generaal H. ter Poorten, die voor een bespreking naar Manilla was vertrokken, werd telegrafisch teruggeroepen en in de tussentijd werd generaal-majoor Maurer met de waarneming van het legercommando belast. Nadat Ter Poorten te Batavia waTweede graf Berenschots aangekomen aanvaardde hij voorlopig het opperbevel over het Nederlands Indische leger.

Hij werd bij Koninklijk Besluit van 23 oktober 1941 nummer 2 definitief benoemd tot opvolger van Berenschot als commandant van het Indische leger en hoofd van het Departement van Oorlog. Er was geen grotere tegenstelling mogelijk dan die tussen Berenschot en Ter Poorten; Berenschot was tenger, zag vaak bleek, maar was zeer geliefd bij de troep, omdat hij er de geest door en door van kende en in zijn hart, ook later, nog steeds met de troep meeleefde. Ter Poorten was fors gebouwd, had een rood vierkant gezicht en keek altijd nors. Berenschot stond bekend als een diep voelend mens met zeer beminnelijke manieren terwijl Ter Poorten zich vrijwel altijd als een stoere kerel meende te moeten gedragen (Bron: De Nieuwe chef. In: De Sumatra Post, 1 november 1941).  

Ter Poorten deed eerder al op een bepaalde manier van zich spreken toen hij gepasseerd werd voor de rang van kapitein omdat hij ongeschikt werd geacht. Deels kwam dat omdat hij zijn overtuiging boven de militaire voorschriften stelde. In deze rang bleef hij langer dan enig ander officier en uiteindelijk werd hij bevorderd tot een zogenaamde kassian-majoor.

Ondanks dit alles werkte Ter Poorten onder leiding van Berenschot mee aan de (her)opbouw van het door misplaatste bezuinigingen tot op het bot uitgemergelde Indische leger en werd hij, door de te vroege dood van zijn voorganger, uiteindelijk benoemd tot commandant van het Indische leger en tot hoofd van het Department van Oorlog. Het beste zijn beiden te karakteriseren door Berenschot een praktische strateeg en Ter Poorten een veel minder practische theoreticus te noemen.  


Bronvermelding

  • Eindexamen HBS met 3-jarige cursus. In: Het Nieuws van de Dag: kleine courant, 18 juli 1902 
  • Cadettenschool. In: Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, 26  augustus 1902
  • Marine en Leger. In: Het Nieuws van de Dag: kleine courant, 22 juli 1907
  • Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, 24 augustus 1907
  • Militaria. In: 19. decoraties Berenschot - kopieHet Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, 21 juli 1908
  • Militaria. In: Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, 19 december 1908
  • Onderscheidingen. In: Bataviaasch Nieuwsblad, 10 februari 1909
  • Militair Department. In: De Sumatra Post, 28 januari 1910
  • Militaria. Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, 5 april 1910
  • Een kwart eeuw in de rimboe. In: Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, 20 januari 1937
  • Militair Department. In: Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, 22 juni 1911
  • Miitaria. Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, 29 oktober 1913
  • Militair Department. In: Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, 17 juli 1914
  • Militair Departement. In: Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, 25 januari 1915
  • Onderscheiding Atjeh. In: het Algemeen Dagblad, 4 april 1916
  • Miltaria. In: Algemeen Handelsblad, 20 maart 1916
  • Passagiers. In: Algemeen Handelsblad, 7 september 1917
  • Buitenlandse havens. In: Algemeen Handelsblad, 22 september 1919
  • Militaria. In: Bataviaasch Nieuwsblad, 16 december 1922
  • Militaria. In: Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, 16 april 1923
  • Krijgswetenschap. In: Het Vaderland, 5 november 1927
  • Bevorderderingen. In: De Indische Courant, 17 september 1928
  • Onderscheidingen. In: Het Vaderland, 31 oktober 1930
  • Officiersbelangen. In: Het Soerabajasch Handelsblad, 12 juli 1932
  • Uit militaire kringen. In: De Sumatra Post, 26 juli 1932
  • Militaria. In: Soerabajasch Handelsblad, 17 augustus 1932
  • Het capitulantenstelsel. In: De Sumatra Post, 12 november 1932
  • Op inspectie. In: De Indische Courant, 16 december 1932
  • De landvoogd te Malang. In: De Indische Courant, 24 oktober 1933
  • Naar de generale staf. In: Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, 5 mei 1934
  • Personalia. In: Bataviasch Handelsblad, 16 juni 1934
  • Chef generale staf: kolonel Berenschot. In: Soerabajasch Handelsblad, 1 mei 1934
  • De G.G. te Bandoeng. In: Bataviaasch Nieuwsblad, 22 november 1934
  • Militaire bezoekers. In: Soerabajasch Handelsblad, 17 oktober 1934
  • Generaalsbenoemingen. In: het Algemeen Handelsblad, 15 juni 1935
  • De KNIOS. Het 18de wapenfeest. In: De Indische Courant, 24 februari 1936
  • De legercommandant naar Nederland. In: De Indische Courant, 28 december 1936
  • Inspectiereis door chef staf. In: De Indische Courant, 16 maart 1937
  • Generaal Berenschot met buitenlands verlof. In: de Indische Courant, 29 mei 1937
  • Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. In: De Indische Courant, 30 augustus 1937
  • Bezoek ten hove. In: Het Vaderland, 11 september 1937
  • Prins Bernhard houdt audiëntie. In: Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, 6 november 1937
  • Indië-dag voor de provincie Noord-Brabant. In: Het Vaderland, 12 december 1937
  • Generaal Berenschot. In: Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, 11 februari 1938
  • Tegen pogingen tot verovering. In: Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, 4 februari 1938
  • Leger en vloot. Tegen pogingen tot verovering. In: De Indische Courant, 8 februari 1938
  • De Indische defensie II. In: Het Vaderland, 5 februari 1938
  • De legercommandant naar Bandoeng. In: De Indische Courant, 21 oktober 1938
  • Overdracht van het legercommando. In: Het Vaderland, 27 juni 1939
  • Overdracht legercommando. Plechtigheid op Andrir. In: Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië, 28 juni 1939
  • Legercommandant op reis. In: De Indische Courant, 3 november 1939
  • Korps Marechaussee. In: Provinciale Overijsselse en Zwolse Courant, 2 april 1940
  • Luitenant generaal G.J. Berenschot bevorderd tot commandeur in de Orde van Oranje Nassau. In: Bataviaasch Nieuwsblad, 30 augustus 1940
  • Legercommandant bezoekt VOC te Soerabaja. Zeer voldaan over prestaties. In: Soerabajasch Handelsblad, 27 augustus 1940
  • Nederlands-Indië breidt zijn verdediging uit. Amigoe, 7 maart 1941
  • Nederlands-Indië altijd op zijn post. In: Amigo, 8 april 1941
  • Oost-Indië is paraat. In: Amigoe, 14 mei 1941
  • Vlammenzee. In: Soerabajasch Handelsblad, 14 oktober 1941
  • Parenteel van Gerardus Johannes Berenschot. Uitgave eigen beheer familie Berenschot
  • Aan de nagedachtenis van Gerardus Johannes Berenschot. 24 juli 1887-13 oktober 1941

Zie ook: een militaire parade in 1941 (You Tube filmpje)


Archief

Een deel van de fotonalatenschap kunt u zien in het fotoboek. Hieronder treft u nog een aantal andere documenten aan. Indien u klikt op de afbeeldingen dan worden deze vergroot, zodat u ze kunt lezen. Zie ook het artikel Vliegtuigongeval van Berenschot.


Een brief van de echtgenote van Berenschot vanuit Lho Soekon (1912) aan de familie in Nederland

Lhobrief1Lhobrief2Lhobrief3

 

 

 

 

 

 

 

 


Het uittreksel uit het stamboek van Berenschot

Uittreksel stamboek1Uittreksel stamboek2

 

 

 

 

 

 


Brief van Berenschot aan zijn zoon die in Nederland studeert (1934) 

Brief Berenschot aan zoonBrief Berenschot aan zoon2

 

 

 

 

 

 

 

 


Dit is een indertijd handmatig gemaakte schets van de plaats van het vliegtuigongeval, waarbij Berenschot om het leven kwam

Schets van de plaats des onheils

 

 

 

 

 


In onderstaande documenten wordt een weerslag gegeven van de activiteiten van Berenschot te Tjimahi in 1931 in de functie van commandant van het vierde bataljon.  Het stuk is geschreven door een militair die indertijd onder hem diende.

Commandant vierde bataljonICommandant vierde bataljon 2Commandant vierde bataljon 3Commandant vierde bataljon 4Commandant vierde bataljon 5

 

 

 

 

 

 


Onderstaande brief is geschreven door een ondergeschikte en is een hulde aan de legercommandant, generaal Berenschot

Hulde aan de commandant1Hulde aan de commandant2

 

 

 

 

 

 

 


Onderstaand afbeeldingen van aantekeningen en een boek van Berenschot van de Hogere Krijgsschool

Aantekeningen Berenschot Hogere KrijgsschoolAantekeningen van Berenschot lessen Hogere KrijgsschoolLeerboek der militaire aardrijkskunde en statistiek

 

 

 

 

 

 

 

 

 


[ Terug

f t

Login