Gebruikerswaardering: 4 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter inactief
 

 

Ver Heul Quirinus


Foto met dank aan kolonel M.C. Dulfer. Zie hier voor meer tekeningen en schilderijen van Ver Huell.


Vroege jaren

Eerste tocht naar de Oost

Expeditie naar Saparoea

Schipbreuk bij Diego Garcia

Directeur en commandant der Marine

Activiteiten na pensionering en overlijden

Decoraties

Bibliografie

Tekenwerk


Vroege jaren

Quirijn Maurits Rudolph Ver Huell ( Zutphen, 11 september 1787 - Arnhem, 10 mei 1860) was de zoon van Everhart Alexander Ver Huell, onder meer burgemeester van Doesburg, en Anna Aleida Staring, de dochter van Rudolph Jan Staring, burgemeester van Zutphen. Hij trouwde met Christina Louisa Johanna Hester de Vaynes van Brakell (1796-1863). Zijn oom was vice-admiraal Carel Hendrik Ver Huell.

Ver Huell trad in 1802 in de rang van cadet in dienst van de Marine der Bataafse Republiek, whuell quirijn maurits rudolphaar hij achtereenvolgens geplaatst werd op de "Hersteller" (1804), de schoener "Cachelot" (1805) en de "Krokodil". Op dit laatste schip nam hij een werkzaam aandeel in de stijd tegen de Engelsen. Het opperbevel over deze  zeegevechGrisnez2ten lag indertijd in handen van de oom van Ver Huell, schout-bij-nacht Carel Hendrik Ver Huell.

Na genoemde gevechtshandelingen was Ver Huell op 18 juli 1805 tegenwoordig bij de vaartocht van Duinkerken naar Ambleteuse, onder maarschalk Davoust. Deze reis voerde de Bataafse vloot  onder meer langs kaap Grisnez. Voor zijn tijdens de strijd betoonde dapperheid werd Ver Huell bevorderd tot adelborst der eerste klasse. In de documenten, die bij deze benoeming hoorden, stond: "voor zijn lofwaardig en dapper gedrag en ter verdere aanmoediging van zijn ambitie in dienst van het land."

Op last van zijn oom, indertijd Minister van Marine, werd in 1907, naar een tekening van Ver Huell, een schilderij vervaardigd, waarin het omzeilen van kaap Grisnez door de Bataafse flotille was weergegeven.

Eerste tocht naar de Oost

 Ver Huell werd in 1807 bevorderd tot luitenant-ter-zee tweede klasse (feitelijk vroeger dan zijn diensttijd eigenlijk toeliet) en achtereenvolgens geplaatst op de "Gelderland" en de brik de "Vlieg", en benoemd tot adjudant van schout-bij-nacht A.A. Buyskens. Buyskes vertrok samen met zijn adjudant in 1807 met een schip ondArnold Adriaan Buyskes 1771 1838 Commissaris generaal 1816 19 Rijksmuseum SK A 3794 jpeger neutrale vlag en onder een vreemde naam naar Batavia. Gouverneur-generaal Daendels benoemde hem aldaar tot vice-president van de Raad van Nederlands-Indië en belastte hem met het commando over de troepen, die tot het ressort van Batavia behoorden.

Ver Huell, die teruggekeerd was naar Nederland,  kreeg in 1809 zijn bevordering tot luitenant-ter-zee eerste klasse bij de Hollandse Marine, maar ging al snel in de rang van lieutenant de vaisseau over bij de Franse Keizerlijke Marine. Daar werd hij in 1810 benoemd tot adjudant van vice-admiraal Ver Huell. Die was indertijd actief als commandant van de havens en reden van het noorden en woonde in Hamburg.

Ver Huell werd nu belast met een geheime missie, die inhield dat hij een kaart diende te vervaardigen van de rivier de Eynder en het kanaal van Holstein, en waarvoor hij later een tevredenheidsbetuiging ontving van zijn chef en van de Minister van Marine.

Expeditie naar Saparoea

Ver Huell werd in 1811 bevorderd tot kapitein-ter-zee en verkreeg na de Omwenteling van 1913 eervol ontslag. Na een examen te hebben behaald teineinde te voldoen aan de eisen van die rang werd hij benoemd tot kapitein-luitenant-ter-zee. In deze positie werd Herinneringen van een reishij bij het vaste korps zeeofficieren der Nederlandse Marine opgenomen.

Er was echter weinig kans om in actieve dienst te geraken, zodat Ver Huell zich in 1815 aanbood als vrijwilliger bij het eskader, dat uitgerust werd om de Oost-Indische bezittingen van het Engelse gouvernement over te nemen. Hij vroeg de opperbevelhebber, vice-admiraal Buyskes, of hij zich aan boord van het vlaggenschip de "Admiraal Evertsen" mocht begeven en aan de reis mocht deelnemen.

Dit werd toegestaan en Ver Huell als eerste officier geplaatst. Tijdens de tocht maakte hij tekeningen, die later werden gepubliceerd onder de titel "Gezichten van Oost-Indië, naar de natuur getekend, met een beschrijving". Bij aankomst te Batavia reisde hij door naar Makassar, om deze bezitting van het Engelse gouvernement over te nemen.  Hij zou nog tot 1819 in Indië blijven, waar hij in tal van commissies zitting had en daarnaast aan diverse krijgsverrichtingen deelnam, waaronder de expedities naar Saparoea.  

In zijn vrije tijd verzamelde hij onder meer insekten, waaronder een groot aantal vlinders, die hij beschreef en waarvan hij tekeningen maakte. Daarnaast legde hij een collectie aan van vissen, schaaldieren, zeegewassen, stukken lava  en mineralen, vruchten op sterk water en veel andere voorwerpen. 

Schipbreuk bij Diego Garcia

In 1919 wilde Ver Huell als eerste officier op de "Evertsen", waarop zich de commissarissen-generaal Elout en Buyskens bevonden, in een eskader terug naar Nederland keren. De troep schepen bestond, naast de "Evertsen",  uit Zr. Ms. "Prins Frederik" en Zr. Ms. "Maria Reigersbergen".

Bij het eiland Diego Garcia leed men echter schipbreuk, volgens Ver Huell als gevolg van een smeuvERLATEN VAN FVERSTENlend vuur. Hij weigerde zijn boot te verlaten en dacht het schip middels pompen te kunnen redden. Hij geraakte echter in een hevige twist hieromtrent met Elout en Buyskens, die het schip zo snel mogelijk wilden verlaten.

Die woordenwisseling geleek zeer ernstig omdat een mindere die bevelen aan een hogere officier gaf  hoogst ongebruikelijk was. Doordat de boot uiteindelijk niet verging maar geheel uitbrandde raakte Ver Huell al  zijn bezittingen, maar ook zijn gehele eerder verzamelde collectie flora en fauna, kwijt.

Als gevolg van dit incident werd Ver Huell door de hoge Militaire Raad vervolgd maar zijn oom, vice-admiraal Ver Huell, verklaarde dat men zijn neef, in plaats van te vervolgen, feitelijk had dienen te belonen, waarop vice-admiraal Buyskes bakzeil haalde. Wel werd Ver Huell uitgesloten van het Ereteken voor de Molukse oorlog, waaraan hij had deelgenomen.   

 Ver Huell reisde nu naar Doesburg, waar hij een poosje in zijn ouderlijk huis ging wonen en trouwde met  Christina Louisa Johanna Hester de Vaynes van Brakell, de dochter van een kolonel der genie.

Directeur en commandant der Marine

Op voorstel van Minister van Marine Joan Cornelis van der Hoop en op aanraden van zijn oom nam Ver Huell de functie van onder-equipagemeester op de Rijkswerf te Rotterdam aan. Zijn doel was om een rustiger leven te gaan leiden met tijd voor wetenschappelijke studie. Hij werd in 1826 bevorderd tot kapitein-ter-zee en in 1828  benoemd tot equipagemeester.

In 1839, na het overlijden van vice-admiraal Ruysch, vond zijn voorlopige aanstelling als waarnemend directeur en commandant van de Marine inScheepje op ijsberg het Hoofddepartement van de Maas te Rotterdam plaats. Ver Huells aanstelling werd bij Koninklijk BeIEts landelijkssluit, in december 1841 en voor een periode van drie jaar,  definitief gemaakt en hij werd bevorderd tot schout-bij-nacht.

Ver Huell werd in 1840 benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en bij Koninklijk Besluit van 17 januari 1841 nummer 71 vereerd met het ridderschap der Militaire Willemsorde derde klasse voor zijn verrichtingen tijdens de veldtocht tegen de opstandelingen in de Molukken in 1817. Naast de functie van commandant der Marine bekleedde Ver Huell diverse nevenfuncties.

Zo was hij vanaf 1843 een der directeuren van de Hollandse Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem en vanaf februari 1846 actief als lid van de raad van de Koninklijke Nederlandse Jachtclub. In 1849 maakte hij deel uit van de verenigde commissie voor de tentoonstelling voor 1850 van het Schilderkundig Genootschap Rotterdam. Andere functies die hij bekleedde waren die van lid en bestuurder van het tekengenootschap "Hierdoor tot Hoger", van het schilderkundig genootschap "Arti Sacrum Verenigd" en was hij actief als ouderling in de Waalse Kerk.  

OActiviteiten na pensionering en overlijden

Ver Huell ging met ingang van 1 juli 1850 met pensioen, nam plechtig afscheid van zijn ambtenaren en gaf zijn bevoegdheden over aan kapitein-luitenant-ter-zee J. Lehman de Lehnsveld. Hij vertrok nu uit Rotterdam en vestigde zich te Arnhem, waar hij zich aan de wetenschapEvertsen in storm wijdde, met name plant -en dierkunde. Hij vervaardigde honderden tekeningen van planten en dieren, onder meer bedoeld ter illustratie van de werken van de hoogleraren Miquel, De Vriese en Van der Hoeve.

Voor de "Flora Brasiliensis', onder patronaat van de Keizer van Oostenrijk en de Koning van Beieren, door de hoogleraar Martius uitgegeven, tekende hij niet alleen de folioplaten maar bewerkte hij ook, samen met professor Miquel, plantengeslachten, die in het werk werden opgenomen.

Ver Huell overleed in de leeftijd van 73 jaar te Arnhem. Hij was gepensioneerd schout-bij-nacht, oud-directeur der Marine te Rotterdam en lid van verschillende geleerde genootschappen. Ver Huell liet zijn zeer kostbare vlinderverzameling na aan het Gemeentebestuur van Arnhem, die de collectie in de openbare bibliotheek, bij het kabinet van zeldzaamheden, zou plaatsen, zodat het publiek er kennis van kon nemen.

Zijn wetenschappelijke verdiensten werden erkend door de Hollandse Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem, de Maatschappij van Nederlandse Letterkunde te Leiden, door het Bataafsch Genootschap voor Proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam, door het Provinciaals Utrechts Genootschap van Kunsten en Wetenschappen en door de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten te Amsterdam.

Decoraties

  • Ridder in de Militaire Willemsorde derde klasse - voor de expedities naar Saparoea
  • Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (1840)
  • Commandeur in de Orde van de Eikenkroon
  • Ridder derde klasse in de Orde van Sint Wladimir van Rusland
  • Medaille van Sint Helena

Bibliografie

  • 1836. Mijn herinneringen aan een reis naar Oost-Indië. Rotterdam. Twee delen - hierin het verhaal van zijn reis naar Nederlands-Indië in 1815.
  • 1842. Handboek voor liefhebbers en verzamelaars van vlinders. M. Wijt en Zonen. Rotterdam
  • 1842. Mijn eerste zeereis. M. Wijt en Zonen. Rotterdam - hierin het verhaal van zijn reis met schout-bij-nacht Buyskens naar de Oost.
  • 1847. Het leven en karakter van Carel Hendrik Graaf Ver Huell. G.J.A. Beijerinck. Amsterdam
  • 1849. De leidsman op het pad van eer, voornamelijk bestemd voor jonge lieden in dienst van de Marine. Vrij vertaald uit het Engels. H.T. Hendriksen. Rotterdam.
  • Bijdragen aan: Sepp. "Beschouwingen der wonderen Gods in de minst geacht zijnde schepselen" en in "Het album der natuur".
  • In het "Tijdschrift aan het zeewezen gewijd": artikelen over vice-admiraal Ruysch, luitenant Bezemer en kapitein Zwedenrijk Carp.
  • In de Annales des Sciences Naturelles artikelen over de larve en pop van Mormolyce Phyllodes
  • Bijdragen In "De Nederlandse Vlinders" en het "Album der Natuur"

Tekenwerk

  • Schetsen van landschappen in de Oost
  • Illustraties voor het boek "Land- en Volkenkunde", aflevering van het grotere werk "Natuurlijke geschiedenis van onze Overzeese Bezittingen"
  • Platen van fossilen, meest conchyliën
  • Platen van kevers en vlinders. Een dezer vlinders werd Colias Verhuellii genoemd
  • Vele wetenschappelijke tekeningen van bloemen, zoals die van de Cankrienia chrysanthea in een bos, dat in 1853 de tentoonstelling van de Maatschappij voor Landbouw sierde
  • Een afbeelding van Rafflesia rochussenii voor hoogleraar Miquel
  • Een afbeelding van Rafflesia patma voor hoogleraar De Vriese
  • Veertig orchideën voor de hortulanus van de Academietuin in Leiden
  • Tachtig folioplaten voor de Flora Brasiliensis van professor Von Martius
  • Negentig foliotekeningen met analyses van de plantenfamilie der Piperaceën. Deze behoorden bij de monografie, die hoogleraar Miquel van die familie gaf (gepubliceerd in de Acta Academiae Caesareae Leopoldinae)
  • Aan een der pepergeslachten, die in bovengenoemd werd beschreven werden was de naam van Ver Huellia geschonken.
  • Veertig platen in de Monographie der Casuarineae van hoogleraar Miquel
  • Platen van de Analecta botanica van Miquel en van zijn Monographie der Cycadeën
  • Platen voor de flora onzer Oost-Indische Koloniën, van  hoogleraar Miquel
  • Achtendertig grote 4 graden platen, opgenomen in het werk over de Goodenoviaceae van Miquel
  • Platen in Plantae novae et minus cognitae van hoogleraar De Vrieze
  • Platen in Nouvelles recherches sur la Flore des possessions Neerlandaises aux Indes Orientales van professor De Vriese


 

f t

Login