Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

Calmeyer met een Koreavrijwilliger


Het fotoalbum vindt u hier


Familie

Vroege loopbaan

Bij de Marechaussee te Atjeh

De toekomstige verhouding van Nederland tot Nederlands-Indië

Stamverwanten in de Oekraïne

Terug in Nederland

Vooroorlogse periode

Tweede Wereldoorlog

Periode na de Tweede Wereldoorlog

Militaire visie

Hoogste militaire rangen

Einde militaire loopbaan

Latere functies

Politieke functies

Latere leven

Decoraties

Bibliografie

Biografie

Zie ook

Bronvermelding


Familie

Michael Rudolph Hendrik Calmeyer (Hellevoetsluis, 11 juni 1895-Den Haag, 7 maart 1990) was de zoon van Johan Hendrik Calmeyer, kapitein-ter-zee bij de Koninklijke Marine,  en Jane Ann de Veer, achterkleindochter van Abraham de Veer.

Calmeyer trouwde op 8 augustus 1921 met Cato Ottoline Jeekel, dochter van Christiaan Antoon Jeekel (1866-1927), luitenant-kolonel en tijdelijk inspecteur der directe belastingen, en Ottoline Johanna Vreede. Het echtpaar kreeg een dochter, Ottoline. Zij trouwde met Synco Meyburg. Hun zoon is de huidige chef-staf van de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht, kolonel Willem Synco Michael Calmeijer Meijburg.

Vroege loopbaan

Calmeyer volgde de HBS en vervolgens vanaf 17 november 1914 de opleiding tot infanterieofficier aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda. Hij behaalde op 25 juli 1917 het examen voor tweede luitenant en verkreeg aldus die rang.

Calmeyer schreef in het juli-nummer van 1920 in het tijdschrift Neerlandia een artikel over Abraham de Veer, 1767-1838), gouverneur van de Goudkust tijdens de verovering van Nederland door Napoleon.  De Veer was een directe voorouder van de moeder van Calmeyer, Jane Ann de Veer.

Bij de Marechaussee te Atjeh

Calmeyer werd met ingang van 25 juli 1921 bevorderd tot eerste luitenant, gedetacheerd bij het het leger in Nederlands-Indië, waar hij diende bij het Korps Marechaussee te Atjeh (Lam Meulo). Hij vertrok met zijn echtgenote op 17 september 1921 per s.s. Vondel naar Batavia. Voor de Leeuwarder Courant beschreef hij de nachtelijke overvallen op de NederlandMarechaussees O.I. leger. 1896se manschappen door bendes opstandelingen, waarbij vaak doden en ernstig gewonden vielen.

Calmeyer eindigde met een waarschuwing, getuige zijn woorden: "Het is een opnieuw opflikkerend verzetsvonkje, zoals er in geheel Atjeh nog vele onder de as zitten, dat tot een brandje kan uitslaan, als het niet spoedig uitgetrapt wordt. Wie het voorrecht had bij de Atjehse Marechaussee te dienen, weet dat dit laatste niet op zich zal laten wachten" (De overvallen op Atjeh. In: Leeuwarder Nieuwsblad, 30 oktober 1925).

De toekomstige verhouding van Nederland tot Nederlands-Indië

Calmeyer hanteerde in zijn Indische periode vaker de pen. In de functie van lid van het Nederlandsch Verbond beschreef hij, dan net aangekomen te Meester Cornelis (1922), zijn bevindingen betreffende de toekomstige houding van Nederland tot zijn kolonie, Nederlands-Indië. Hij zag twee strMarechausseemonument Kota Potjoetomingen:

De eerste was die van de "Engelse ziekte", waarbij men alles afkeurde wat de kolonisatie tot stand had gebracht. Calmeyer zei over deze gedachtengang: "hoe deze hier kan woeden in mensen, staande van aangezicht tot aangezicht tegenover de Nederlandse kolonisatiearbeid, die, ondanks fouten en gebreken, een der grootste blijft, die ooit de wereld zag, dat kan alleen die persoon begrijpen die de eigen leegte moet vullen met wat oneigen is."

De tweede stroming was de Indo-Europese, die verklaarde dat Holland niet het Vaderland was en Tromp en De Ruyter geen nationale helden. En deze stroming achtte Calmeyer gevaarlijk en diende het A.N.V. te bestrijden. Dat moest in zijn ogen gebeuren door een wekelijkse rubriek in de kranten en lezingen, waarbij hij Melt Brink aanhaalde: "Ik min mijn land, ik min mijn volk, ik min mijn eigen taal".  

Stamverwanten in de Oekraïne

Calmeyer schreef in 1922, naar aanleiding van de overwinning der boeren in de Oekraïne in het gebied van de Dnjepr, een ingezonden artikel in het Bataviaasch Nieuwsblad, waarin hij de victorie der boeren, "de duizenden stille werkers en lijders van onze stam" die deSkizze Siedlung Chortitza eerste lichten der dageraad na een lange, bange nacht" zien, noemde. Hij beschreef hun lijden als: "zo dikwijls is de wals van rode en witte troepen over hun vreedzame dorpen uitgerold dat jaren van rust nodig zullen zijn om de angst, meer angst dan die uit Dante's Hel, uit hun harten te wissen".

In de rest van het artikel beschreef Calmeyer de oorsprong van dit in de wortels Nederlandse volk, de nederzetting rond Choritza, aan de Dnjepr, en de moordpartijen die plaats hadden gevonden na november 1918. De aanleiding voor het schrijven van Calmeyer waren de inzamelingsacties die zowel in Nederland als in de Oost voor de hongerende Russen werden gehouden. 

In een artikel, in 1929 gepubliceerd in Het Vaderland, kwam hij nogmaals terug op het lijden der Mennonieten in Rusland.

Terug in Nederland

In het voorjaar van 1925 werd Calmeyer ontheven van zijn detachering in de Oost en keerde hij met zijn gezin per s.s. Patria naar Nederland terug en vestigde zich inHogere Krijgsschool Den Haag. Het jaar daarop begon hij met zijn studies aan de Hogere Krijgsschool, beëindige hen met goed gevolg en werd derhalve met ingang van 1 november 1929 voor de duur van een jaar op het bureau van de chef van de Generale Staf gedetacheerd.

Na dit jaar werd Calmeyer overgeplaatst bij het negentiende regiment infanterie en in december 1930 tewerk gesteld bij de Generale Staf van het Departement van Defensie, en in het kader hiervan geplaatst bij de staf der infanterie. In 1931 publiceerde hij een uitvoerige studie over de organisatie der infanterie, met aandacht voor aspecten als het bestaansrecht en de plaats ervan in het moderne leger, in de Militaire Spectator.

Toen in 1932 de militaire tijdschriften "Militair Technisch Tijdschrift" en het "Cavaleristisch Tijdschrift" zich verenigden met de "Militaire Spectator" maakte Calmeyer reeds deel uit van de redactie van de Militaire Spectator. Het jaar daarop trad hij toe tot de redactiecommissie van het Wetenschappelijk Jaarbericht van de Vereniging tot Beoefening der Krijgswetenschap. In dit bericht schreef hij een artikel, dat in gewijzigde vorm ook verscheen in de Militaire Spectator, namelijk over de tactiek der verbonden wapens.  

Vooroorlogse periode

Calmeyer  werd in deze tijd (1935) benoemd tot leraar tactiek en stafdienst aan de Hogere Krijgsschool; in deze functie gaf hij ook lezingen, zoals die in mei 1935 tijdens de vergadering van de Algemene Vereniging van Nederlandse Reserveofficieren te Amsterdam over de oorlog van morgen aan de hand van het boek van de Italiaanse officier Rocco Moretta "Come sera la guerra di domani." Een lezing die hij in decembeBarendrechtse brigr 1936 voor de Vereniging tot Beoefening van de Krijgswetenschap hield behandelde het vraagstuk hoe de lichte troepen georganiseerd dienden te zijn.

Calmeyer werd op 1 november 1935 bevorderd tot kapitein en voor de tijd van twee jaar gedetacheerd aan de Kriegsakademie te Berlijn. In juli 1938 werd hij bij Koninklijk Besluit benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau en in juli 1939 in rang en ouderdom van rang van de Generale Staf teruggeplaatst bij het wapen der infanterie. In deze positie nam hij in de functie van chef-staf van de groep Kil, met als taak om het zuidfront van de Vesting Holland te verdedigen, deel aan de strijd tijdens het begin van de Tweede Wereldoorlog.

Tweede Wereldoorlog

Na de capitulatie werd Calmeyer te werk gesteld bij de afdeling Krijgsgeschiedenis van het Hoofdregelingsbureau. In mei 1942 werd hij via Kamp Langwasser bij NeLangwasser kamoejurenberg afgevoerd naar een krijgsgevangenenkamp in Stanislau (Polen), om in januari 1944 overgebracht te worden naar Neu Brandenburg.

Calmeyer verkreeg in de rang van kolonel bij Koninklijk Besluit van 19 juli 1946 nummer 6 het Bronzen Kruis. Dat was omdat hij door zijn moedig optreden tegenover de vijand zich onderscheiden had door op 11 mei 1940 tijdens een poging tot herovering van de brug bij Barendrecht aan het hoofd van een afdeling deze brug te bestormen. Deze poging gelukte helaas niet door het hevige vuur van de vijand.

Periode na de Tweede Wereldoorlog

Calmeyer, inmiddels bevorderd tot kolonel bij de Generale Staf, werd in november 1945 benoemd tot chef van het militair kabinet van de Minister van Oorlog. In deze CALMEIJER in uniformtijd kreeg hij de opdracht van de Nederlandse regering voor drie weken naar Nederlands-Indië te vertrekken, waar hij de Bevelhebber Strijdkrachten Oost inlichtingen diende te geven over de militaire maatregelen die in Nederland met het oog op de binnenlandse toestand in Indië werden voorbereid.

Calmeyer had daarnaast de order gekregen van de Binnenlandse Strijdkrachten Oost inlichtingen te verkrijgen over de militaire toestand en de steun die de bevelhebber uit Nederland nodig achtte.  In september 1946 nam hij als vertegenwoordiger van de Minister van Oorlog zitting in het Nederlands Nieuw-Guinea Exploratie Comité, dat opgericht was ten behoeve van de dan in voorbereiding zijnde wetenschappelijke expeditie naar dit gebied.

Militaire visie

Calmeyer verklaarde in een interview met het ANP in juni 1948 dat de luchtstrijdkrachten in de toekomst waarschijnlijk als Koninklijke Luchtmacht het derde legeronderdeel zouden gaan vormen. Voor een doeltreffende verdeMonty bezoekt nederlanddiging achtte hij een sterke luchtverdediging een eerste vereiste.  Hij meende echter wel dat het niet in het vermogen van Nederland lag bij te dragen tot het belangrijkste aanvalswapen, de bombardementseskaders.

De Koninklijke Landmacht diende zo snel mogelijk een mobiel operatief orgaan te vormen dat, als onderdeel van een geallieerde krijgsmacht, buiten de landsgrenzen kon optreden. Het Nederlandse leger zou echter geen massaleger maar een kwaliteitsleger dienen te worden, al mocht de omvang niet te gering zijn.  

Hoogste militaire rangen

Calmeyer werd met ingang van 1 november 1948 bevorderd tot generaal-majoor; toen veldmaarschalk Lord Montgomery of Alamein Nederland in november 1948 bezochtFelicitaties generaal majoor werd hij onder meer door Calmeyer, namens de Minister van Oorlog, en kapitein-ter-zee Cornelis Moolenburgh, namens de Minister-President, ontvangen.

Het jaar daarop was hij een van de drie leden van een delegatie, onder leiding van Minister W.F. Schokking, die de conferentie in Brussel van de Ministers van Defensie der landen van de Westelijke Unie, bijwoonde.

Calmeyer werd met ingang van 1 mei 1949 bevorderd tot luitenant-generaal en vanuit de functie van chef van het kabinet van de MinisCalmeyer met Koreavrijwilligerster van Oorlog benoemd tot plaatsvervangend chef van de Generale Staf. Nederland kreeg in december 1950, in het kader van een wederzijds militair steunverdrag Amerikaans wapenmaterieel. Calmeyer verdedigde de kwaliteit daarvan met de woorden:

"Men mag bij een demonstratie als deze niet te optimistisch zijn want dan worden te hoge verwachtingen gewekt, maar men moet zich ook hoeden voor pessimisme. Dit door de Verenigde Staten ter beschikking gestelde materieel is allemaal nieuw. Dat het in de laatste oorlog een rol heeft gespeeld betekent niet dat het allemaal afdankertjes zijn" (Generaal Calmeyer verdedigt het waterhoofd. In: Het Nieuwsblad voor Sumatra, 11 december 1950).

Einde militaire loopbaan

Calmeyer vroeg in januari om ontheffing uit zijn functie van plaatsvervangend chef van de Generale Officiersschool WeespStaf. Dit verzoek werd ingewilligd maar de Minister van Oorlog verzocht hem wel om zich voor bijzondere opdrachten beschikbaar te houden. Het aftreden had deels te maken  met verschil van mening tussen de Minister van Oorlog en generaal mr. H.J. Kruls betreffende de uitvoering van het drie-divisieplan.

Bij Koninklijk Besluit, te rekenen vanaf 1 september 1951, werd Calmeyer benoemd tot directeur van het Defensie Studiecentrum. In deze voor hem moeilijke tijd hield Calmeyer in december 1952 voor de Nederlandse Maatschappij voor Nijverheid en Handel een causerie over de "Nederlandse bijdrage aan de Atlantische verdediging."  Zijn naam werd daarnaast genoemd op de lijst van CHU-kandidaten voor de Tweede Kamer.

Latere functies

Calmeyer werd op 30 april 1952 benoemd tot ridder in de Nederlandse Leeuw, met ingang van 1 februari 1953 van zijn functie als directeur van het Defensiecentrum ontheven en benoemd tot militair adviseur van de Nederlandse vertegenwoordiger in de Noord-Atlantische Raad. Daarnaast werd hij aangesteld tot hoofd van de militaire afdeling van de Nederlandse delegatie bij de interimcommissie der Europese Defensie Gemeenschap.

Calmeyer waarschuwde tijdens een lezing, gehouden voor de de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte, voor de gevaren die een staat bedreigen. Terwijl hij wees op de dan alom doorgaande ijvering voor supranationale organen zei hij "het lijkt erop dat sommigen de grenzen helemaal willen laten verdwijnen, waardoor er van de nationale waarden niets meer overblijft." Hij besloot zijn voordracht met de woorden: "de zelfstandigheid van de staat was zelden zo urgent als nu" (Tegen prijsgeven nationale zelfstandigheid. In: De Waarheid, 6 januari 1953).

Politieke functies

Calmeyer verkreeg op 1 mei 1955 eervol ontslag uit de militaire dienst en weigerde in juli 1956 een hem door kabinetsformateur Willem Drees aangeboden portefeuille van Oorlog en Marine in het dan nieuw te vormen kabinet.  Wel trad hij toe tot de Defensiecommissie en was hij Tweede Kamerlid. Bij Koninklijk Besluit van 6 november 1956 werd Calmeyer benoemd tot staatssecretaris van Defensie.

In deze functie verrichtte hij diverse werkzaamheden. In juli 1960 bracht hij bijvoorbeeld een bezoek aan La Courtine voor een inspectie van de vierde Nederlandse Divisie, die aldaar haar oefeningen hield. In de Eerste Kamer sprak hij zich in 1961 uit tegen de benoeming van een afzonderlijke staatssecretaris voor de luchtmacht. Op 24 juli 1963 viel het kabinet De Quay en trad Calmeyer af.

Latere leven

Calmeyer was in oktober 1964 actief als voorzitter van de Herdenkingscommissie ter herdenking van het 150-jarig bestaan van de Militaire Willems-Orde. Hij keerde zich in 1967 in het tijdschrift Ons Leger tegen dienstverkorting en lagere defensielasten.

Letterlijk schreef Calmeyer: "Getracht wordt het machtsapparaat van de Staat uit te hollen door aan te dringen op steeds verder gaande diensttijdverkorting. Hierdoor bereiken wij de situatie dat het leger weer even weinig voor haar taak is berekend als in 1940 het geval was." (1967. Calmeyer. In: De Waarheid, 11 januari 1967).

Calmeyer overleed op 94-jarige leeftijd te Den Haag. 


 Decoraties

  • Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw
  • Grootofficier in de Orde van Oranje-Nassau
  • Bronzen Kruis
  • Oorlogsherinneringskruis met de gesp
  • Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als Officier met het cijfer XXXV
  • Prins Mauritsmedaille van de Koninklijke Nederlandse Vereniging Ons Leger
  • Mobilisatiekruis 1914-1918

Bibliografie

Biografie

  • 1997. J. Hoffenaar et al. M.R.H. Calmeyer. Herinneringen. Memoires van een christen, militair en politicus. SDU Uitgevers 

Zie ook

Bronvermelding

  • 1916. Koninklijke Militaire Academie. In: Algemeen Handelsblad, 17 oktober 1916 
  • 1917. Koninklijke Militaire Academie. In: Algemeen Handelsblad, 1 juli 1917
  • 1920. Een beroemd landgenoot. In: Amigoe di Curaçao, 7 augustus 1920
  • 1921. Land- en Zeemacht. In: De Tijd, 27 juni 1921
  • 1921. Passagierslijst. In: De Tijd, 16 september 1921
  • 1922. Nederlands Verbond. In: De Sumatra Post, 27 maart 1922
  • 1924. Mededelingen. In: Het Vaderland, 16 april 1924
  • 1925. Passagiers. In: Algemeen Handelsblad, 14 april 1925
  • 1929. Hogere Krijgsschool. In: Algemeen Handelsblad, 14 oktober 1929
  • 1930. Land- en Zeemacht. In: Het Vaderland, 15 december 1930
  • 1931. De oorlogsorganisatie der infanterie. In: Algemeen Handelsblad, 22 april 1931
  • 1932. Concentratie vakpers. In: Algemeen Handelsblad, 29 januari 1932
  • 1933. Wetenschappelijk jaarbericht. In: Het Vaderland, 22 mei 1933
  • 1935. De oorlog van morgen. In: Soerabaijasch Handelsblad, 10 mei 1935
  • 1938. Onderscheidingen. In: De Tijd, 9 juli 1938
  • 1945. Diverse zaken. In: De Tijd, 20 november 1945
  • 1946. Expeditie naar Nieuw-Guinea. In: Het Dagblad, 19 september 1946
  • 1948. Landmacht geen massa maar kwaliteitsleger. In: Amigoe, 22 juni 1948
  • 1948. Veldmaarschalk Montgomery arriveert in ons land. In: Leeuwarder Courant, 10 november 1948
  • 1949. Minister Schokking naar Brussel. In: de Locomotief, 14 januari 1949
  • 1949. Reorganisatie hogere legerleiding. In: De Heerenveensche Koerier, 28 april 1949
  • 1951. Generaal Calmeyer neemt ontslag. In: Nieuwsblad van het Noorden, 24 januari 1951
  • 1951. Luitenant-generaal Calmeyer directeur Defensie Studiecentrum
  • 1952. De kandidaten der CHU voor de Tweede Kamer. In: Leeuwarder Courant, 4 maart 1952
  • 1952. Oorlog en Marine. In: De Telegraaf, 30 april 1952
  • 1952. Luitenant-generaal Calmeyer spreekt in Maastricht. In: Limburgsch Dagblad, 2 december 1952
  • 1953. Generaal Calmeyer krijgt een andere functie. In: De Tijd, 31 januari 1953
  • 1956. Generaal Calmeyer weigert Oorlog en Marine. In: De Telegraaf, 5 juli 1956
  • 1960. Staatssecretaris Calmeyer in La Courtine. In: De Tijd, 25 juli 1960
  • 1961. Minister Visser akkoord met Calmeyer. In: De Telegraaf, 23 november 1961
  • 1964. Militaire Willems-Orde. In: De Tijd, 5 oktober 1964
  • Calmeyer op het onderscheidingenforum

[ Terug ]

f t

Login