Afdrukken

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

karelvanderHeyden



Vroege jaren

Expedities naar Bali en Borneo

Van der Heijden te Atjeh

Atjeh onder controle

Politieke verwikkelingen met Van Lansberge

Aftreden van Van der Heijden

Activiteiten in Nederland

Bronvermelding


Vroege jaren

Karel van der Heijden (Batavia, 12 januari 1826 - Arnhem, 26 januari 1900) was een Nederlands generaal, onder meer militair en civiel gouverneur van Atjeh

Karel van der Heijden in 1859 Van der Heijden was de buitenechtelijke zoon van generaal de Stuers en een onbekende inlandse (Boeginese) vrouw. 

Hij werd te Batavia geboren maar groeide, als kind aangenomen door Jean van der Heijden en Wilhelmina Siebing, op in Nederland.

Op zestienjarige leeftijd vertrok hij vanaf Nieuwediep, als vrijwilliger, aan boord van de East India Packet en zette in de rang van korporaal voet aan wal in Nederlands-Indië.

Expedities naar Bali en Borneo

Van der Heijden werd vervolgens ingedeeld bij het derde bataljon infanterie. Zijn bevordering tot sergeant vond plaats op 1 augustus 1842.  Op 16 oktober 1848  benoemde men hem tot ergeant-majoor.  In deze  rang nam hij deel aan de tweede en derde expeditie naar BaliVan der Heijden

Zijn gedrag gedurende deze veldtochten was zodanig dat hij bij Koninklijk Besluit van 11 december 1849 benoemd werd tot ridder in de Militaire Willems-Orde vierde klasse.

Van der Heijden deed vervolgens zijn officiersexamen en werd bij gouvernementsbesluit van 26 maart 1850 benoemd tot tweede luitenant bij het vierde bataljon infanterie te Batavia.Tekst Karel van der Heijden

Gedurende de jaren 1851 en 1852 nam hij deel aan de krijgsverrichtingen in Palembang. Nadien, op 28 mei 1854 vond zijn  bevordering tot eerste luitenant plaats. Van der Heijden wer dop de verjaardag van de Koning (19 februari) tot kapitein benoemd.

Men plaatste hem nu op Borneo, waar hij belast werd met de functie van waarnemend controleur van Barabei-ie (Zuider- en Oosterafdeling van Borneo).

Dat was op een moment dat de gemoederen in dat deel van de Nederlandse bezittingen steeds onrustiger werden en spoedig daarna een hevige opstand uitbrak. Vanaf 1860 tot aan het jaar 1865 nam Van der Heijden aan de belangrijkste krijgsverrichtingen deel.

In deze periode werd hij door luitenant kolonel Verspyck tevens belast met het civiel bestuur in de afdeling Allei en Amandit. Van der Heijden werd voor al zijn verrichtingen gedurende deze tijd (als hebbende zich onderscheiden bij de Zuider-en Oosterafdeling van Borneo gedurende de jaren 1860-1861) benoemd tot ridder in de Militaire Willems-Orde derde klasse.

Op 26 oktober 1868 werd hij bevorderd tot majoor en belast met het bevel over het garnizoensbataljon te Banka.

Van der Heijden te Atjeh

Na tot luitenant-kolonel te zijn bevorderd werd Van der Heijden ingedeeld bij de tweede expeditie tegen Atjeh en verkreeg hij het commando over de tweede brigade.  Van der Heijden 2 Als beloning voor zijn dappere gedrag werd hij, inmiddels belast met de functie van plaatselijk commandant te Semarang, begiftigd met het ridderkruis in de Nederlandse Leeuw.

Van der Heijden werd op 15 maart 1877 benoemd tot kolonel en ter beschikking gesteld van de militaire en civiele bevelhebber te Atjeh. Vanaf 2 juni 1877 was hij belast met de functie van militair- en civiel bevelhebber.

Hij toonde hier - ondanks de toestand waarin Atjeh zich bevond, ondanks de matige medewerking van de regering, te midden van de meest inspannende lichamelijke en geestelijke arbeid, in een moordend klimaat - geestkracht en beleid.

De tocht naar Samalangan in 1877 - waarbij Van der Heijden getroffen werd door een matte kogel tegen het voorhoofd, kort daarop door een schot door het linkeroog - was een voorspel voor zijn krachtige optreden tegen de Atjehnezen.

Ondanks genoemde verwondingen volvoerde hij de opdracht te Samalangan op dusdanige wijze dat hij daarvoor beloond werd met het Samalanga 1878commandeurschap in de Militaire Willems-Orde.

In juni 1878 volgde de inval van Habib Abdul Rachman (in het gebied van de IV Moekims. Dat was gedurende de afwezigheid van Van der Heijden en bracht de Nederlandse vestiging in rep en roer bracht. 

Het bleek een wrange en late vrucht van het afwachtende stelsel van generaal van Swieten. Van der Heijden stelde, eenmaal benoemd tot gouverneur van Atjeh en opperbevelhebber der troepen, de regering voor met dit stelsel te breken.

Van der Heijden ging ervan uit dat de meest humane oorlogsvoering was om onafgebroken, met de meeste voortvarendheid, met aanwending van alle krachten te handelen. Dat stilzitten en afwachten uit den boze was.

Daarom ging hij met kracht op het doel, de onderwerping van Atjeh, af en kreeg de noordhoek van Sumatra onder de voet. Zijn voorbeelden Raaff, Michiels, De Brauw, Verspyck, De Brabant en vele anderen stonden hem hierin voor de geest.


 

CV Karel van der HeijdenGeneraal van der Heijden CV2CV generaal van der Heijden

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



 Atjeh onder controle

Met de onderwerping van de XXII en XXVI Moekims was het laatste verzet gebroken.  Het Atjehnese volk was eindelijk overwonnen. 

Karel van der Heijden gravureLangzamerhand begonnen de bewoners naar hun kampongs terug te keren, de lang verlaten rijstvelden werden opnieuw bebouwd, en wapens en munitie werden ingeleverd. De patrouilles konden in alle richtingen het Atjehnese gebied doorkruisen zonder ook maar op enigerlei wijze aangevallen te worden.

Nog voor zijn benoeming tot generaal-majoor werd Van der Heijden aangesteld als adjudant van de Koning in buitengewone dienst (26 september 1878). Op 13 januari 1878 werd hij officieel benoemd tot gouverneur van Atjeh en Onderhorigheden en tenslotte, na de verovering van de XXII en XXVI Moekims, bij keuze benoemd tot luitenant-generaal.

Gedurende meer dan een jaar na deze gebeurtenissen heerstte onder het krachtige bestuur van Generaal van der Heijden 1879Van der Heijden overal volkomen rust. Geen vijandelijke bendes vertoonden zich in dit tijdperk meer binnen het door de Nederlanders bezette gebied.

Talrijke patrouilles, voortdurend van de verschillende posten uitgezonden, gaven steun aan de welgezinde, langzaam terugkerende bevolking.

Zij benamen kwaadwillenden de moed om op Nederlands gebied enige vijandelijkheid te plegen. Meer en meer scheen zich de toestand van vrede te bestendigen. De de Atjehnees, zich in het noodlot schikkend, leek uiteindelijk niet ongezind tot verzoening.

In september 1879 bezocht luitenant-generaal en commandant van het Nederlands Indisch leger, Boumeester, Atjeh ter inspectie en bracht hierover verslag uit aan gouverneur-generaal van Lansberge:

"Over het geheel genomen is de indruk van hetgeen ik te Atjeh zag zeer gunstig geweest, en ik geloof met de opperbevelhebber dat, na het schitterende resultaat van de in het afgelopen jaar ondernomen operaties, de tegenstand in Groot Atjeh voorgoed gebroken is, en ons gezag aldaar feitelijk gevestigd, al moet, om dit te bestendigen, nog veel gedaan worden eer de feitelijke oorlog als beëindigd beschouwd mag worden."

Bij de eerste steenlegging van de Mesigit nam, behalve een groot aantal der voornaamste hoofden van Groot-Atjeh, vorsten en bestuurders Karel van der Heijden verliest zijn oog tijdens het gevecht te Samalanga. Uit G. Kepper 1900 2der vazalstaten, een aantal van 6.000 Atjehnezen deel aan het chandoerie-feest (verzoeningsmaaltijd).

Er werden daarnaast andere nieuwe werken aangelegd. De bevolking zag in dat de nieuwe wegen, door de gemakkelijker communicatie, bronnen werden van vermeerderde waarde van hun producten. Zodoende, konden de in aanbouw zijnde werken, posten, bruggen, duikers enz. onbewaakt aan de hoede der bevolking worden overgelaten.

Door de getroffen krachtige maatregelen leek de toekomst , onder Van der Heijden en chef van de generale staf Gey van Pittius, er goed uit te zien. 

Politieke verwikkelingen met Van Lansberge

Gouverneur-generaal van Lansberge bracht de moed op met het passieve stelsell van generaal van Swieten te breken. Hij wilde daarentegen ook de geestelijk vader zijn van de succesvolle militiare operaties. En daarnaast van de - volgens hem - direct daaruit volgende instelling van een civiel bestuur, als teken dat de oorlog beëindigd was.

Omdat Van der Heijden Heijden K. van der 5een einde aan het militaire bestuur te Atjeh niet wenselijk achtte was hij niet te bewegen vrijwillig af te treden als militair gouverneur. Van Lansberge verlaagde zich nu tot een bedenkelijk niveau, namelijk van het wapen der laster.  

Uitgaande van de ambitie van Van Lansberge betekende de volgende stap dus dat Van der Heijden, zijnde militair gouverneur van Atjeh, zou moeten opstappen, om plaats te maken voor een civiele gouverneur.

Hiervoor had Van Lansberge reeds Pruijs van der Hoeven (resident van Palembang, maar op non-activiteit gesteld) bestemd. Bij Koninklijk Besluit van 11 januari 1880 werd Van der Heijden bevorderd tot luitenant-generaal, nog wel op voordracht van gouverneur-generaal en minister gesteld. Heijden K van der

Daarmee werd officieel erkend dat door Van der Heijden van 23 juli 1878 tot september 1879 zowel in de betrekking als civiel gouverneur als in de betrekking van militair bevelhebber van Atjeh en Onderhorigheden uitstekende diensten bewezen waren.

Deze benoeming maakte het voor Van Lansberge tevens onmogelijk om Van der Heijden een door hem ongevraagd en ongewenst ontslag aan te zeggen. Van Lansberge benoemde nu echter twee gouvernementscommissarissen voor de organisatie van het gewest Atjeh en Onderhorigheden om zo spoedig mogelijk te kunnen komen tot een afdoende organisatie van dat gewest. 

Van Lansberge ontkende in een brief aan Van der Heijden dat hij voor één van deze twee functies reeds Pruijs van der Hoeven op het oog had. Desalniettemin werden bij gouvernementsbesluit van 30 januari 1880 Pruijs van der Hoeven en Van der Heijden beiden benoemd tot regeringscommissarissen. klewang atjeh In juli werden Van der Heijden en Lansberge naar Batavia geroepen om hun rapportages mondeling toe te lichten.

Van der Heijden bleef er op aandringen dat de opperste leiding van de zaken in Atjeh in de eerste jaren aan militaire handen moest blijven toevertrouwd. Op 10 oktober 1880 werden Pruijs van der Hoeven en Van der Heijden van hun opdracht ontheven. Per gouvernementsbesluit (29 oktober 1880) werd Van der Heijden uitgenodigd nieuwe voorstellen in te dienen ten aanzien van de organisatie van het inlandse bestuur te Groot-Atjeh.

Die voorstellen moesten gegrond zijn op een onderzoek omtrent de actuele toestand en de instellingen onder de voormalige sultans. Daarnaast (schikking van 8 november 1880) diende aan deze opdracht uitvoering te worden gegeven in overleg met het lid van de Raad van Indië Mr. T.H. der Kinderen.

Aan Der Kinderen werd als gouvernementscommissaris voor de reorganisatie van het rechtswezen in de buitenbezittingen het ontwerp van een regeling van het rechtswezen in Atjeh opgedragen.

Aftreden van Van der Heijden

Van der Heijden ontving Der Kinderen (op 20 november 1880) te Atjeh. Der Kinderen liet Van der Heijden weten dat er bij Van Lansberge klachten waren gekomen met betrekking tot het plegen van onwettige en onwillekeurige daden. Enkelen daarvan zouden onder het bereik van de strafwet zouden vallen. Heijden van der K.222

Een onderzoek door rechter-commissarissen zou grote opschudding verwekken. Van der Heijden diende derhalve een verlof wegens ziekte naar Nederland aan te vragen. Van der Heijden weigerde dit omdat hij zich van geen kwade daad bewust was.

Tijdens zijn aanwezigheid te Atjeh informeerde Der Kinderen bij diverse officieren welke grieven zij tegen Van der Heijden zouden hebben. Hij vertelde hen bovendien dat Van der Heijden als civiel gouverneur niet op zijn plaats zou zijn.

Volgens een zeer geheime boodschap van Van Lansberge werd aan Van der Heijden nu slechts de keuze gelaten tussen indiening van ontslag binnen veertien dagen en een strafrechtelijke vervolging. Had Van der Heijden echter werkelijk strafwaardige handelingen gepleegd, dan had Van Lansberge, na Van der Heijdens 566px-Heijden  Elseviers Maandblad  1896weigering om een verlof of tot het indienen van zijn ontslag,  justitie op hem af moeten sturen. Dit gebeurde echter niet.

Per telegram van 11 maart 1881 werd Van der Heijden medegedeeld dat ingevolge een Koninklijke Machtiging te Atjeh het civiele bestuur was ingevoerd, Hij was eervol ontheven van het ambt van gouverneur van Atjeh en Onderhorigheden en vervangen door een civiel gouverneur.  Dattwerd Pruijs van der Hoeven, die op 6 april te Atjeh aankwam.

Dezelfde dag werden het civiele bestuur en het bevel over de troepen door Van der Heijden overgegeven aan de nieuwe titularissen. Van 17 april tot 23 mei 1881 verbleef hij nog in Batavia.

Nimmer werd hem langs officiële weg, noch door de regering noch door justitie, enige mededeling gedaan van strafwaardige handelingen, die hij als gouverneur van Atjeh en Onderhorigheden, tevens militair bevelhebber, ten laste zouden worden gelegd. 

194-b. De laatste hulde aan generaal van der HeijdenMinister Goltstein schilderde intussen Van der Heijdens bewind op Atjeh af als een bestuur, zich kenmerkend door militaire willekeur, het vertrouwen missend van de bevolking.

Op 18 november 1881 verklaarde hij zelfs in de Tweede Kamer dat Van der Heijden als civiel bestuurder, als politiek man, niet geheel voldaan had aan hetgeen van hem verwacht mocht worden. Van der Heijden zou niet geheel gehandeld hebben zoals het zijns inziens behoorde.

Activiteiten in Nederland

Op 23 mei 1881 vertrok Van der Heijden naar Nederland. Het telegram, door enkele hoofden uit Atjeh, op eigen kosten naar Z.M. de Koning verzonden, waarbij verzocht werd het ontslag van hem in te trekken, had niet mogen baten. Bij zijn aankomstHeijden HAC van der. Tweede luitenant infanterie. Gesneuveld 18 november 1894 was de laster hem vooruit gesneld. Er was geen regeringspersoon om hem, namens het Nederlandse volk, hulde te bewijzen.

De uitslag van een onderzoekscommissie luidde:

"Dat de verkregen inlichtingen en overgelegde stukken niets aan het licht hebben gebracht, dat het recht geeft, tot een beschuldiging van wreedheid tegen het Atjehnese legerbestuur, noch tot het in verdenking brengen van de eer en goede naam van generaal van der Heijden. "

Op 17 november 1887 werd Van der Heijden benoemd tot commandant van Bronbeek. Zijn adjudant en vriend was daar majoor Schwing. In juni 1891 werd hij benoemd tot adjudant van H.M. de Koningin in buitengewone dienst. Helaas sneuvelde op 18 november 1894 zijn zoon Hubert tijdens de Lombok-expeditie. Zijn andere zoon,  Eeldert Christiaan, werd voor zijn verrichtingen tijdens diezelfde expeditie benoemd tot ridder in de Militaire Willems-Orde.

Vroeg in het jaar 1900 werd Van der Heijden ernstig ziek en overleed op 26 januari. Als commandant van Bronbeek werd hij opgevolgd door luitenant-kolonel Van Heurn.

Van der Heijden publiceerde onder meer:


Bronvermelding


[ Terug