Afdrukken

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

 

Rudy Boekholt jong


Jeugdjaren

Oorlog en bezetting

De Bersiapperiode

Verdere scholing

Koninklijke Militaire Academie

Nederlands Detachement Verenigde Naties in Korea

Bij het Gardebataljon Fuseliers Prinses Irene

Naar Suriname

Diverse plaatsingen

Activiteiten bij de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht en andere functies

Commandant van Bronbeek

Andere activiteiten

Overlijden en crematie

Decoraties

Zie ook


Jeugdjaren

Rudy Boekholt (Batavia, 31 oktober 1926 - Arnhem, 8 maart 2011) was een van de vier zonen van Jacobus Albertus Gerardus Boekholt en Sophia Schrijver en de achterkleinzoon van kapitein der Artillerie van het KNIL Jacobus Gerardus Boekholt. Hij trouwde in 1951 met Elisabeth Parmentier; het echtpaar kreeg vier kinderen.

Boekholt groeide, als lid van een Katholiek gezin, op in de Bataviasche Europese wijk Menteng,  in een huis op de LemOuders Boekholtbangweg, en volgde de lagere schoollessen aan de Jan Ligthartschool. Tegenover het ouderlijk huis lag de Djokjakazerne van de Cavalerie, die al vroeg de interesse van Boekholt in het leger opwekte.

Hij ging vaak naar de grote parades, die tijdens nationale feestdagen gehouden werden op het Waterlooplein.  In deze tijd maakte de figuur van generaal G.J. Berenschot,  ook een Indische jongen en dan legercommandant, grote indruk op hem. De dood van Berenschot, als gevolg van een vliegtuigongeluk, werd door de familie van Boekholt opgevat als een daad van sabotage.

Boekholt volgde vanaf 1939 de HBS aan de Koning Willem III school en maakte in 1940 de woelige dagen mee, die volgden op de bezetting van Nederland, en waarvan  de arrestaties van NSB'ers en de oprichting van organisaties die de oorlogsinspanning in Europa steunden de belangrijkste gevolgen waren. Toen men vernam van de aanval op Pearl Harbour verklaarde de Nederlands-Indische regering Japan de oorlog en spoedig hierop volgden de eerste Japanse luchtaanvallen op Batavia.

Oorlog en bezetting

Tijdens de invasie van Java  werden de bombardementen op Batavia steeds heviger en moest het gezin Boekholt vaker schuilen in de kelder. Al op 9 maart 1942 besloot de gouverneur-generaal te capituleren en gaf Nederlands-Indië zich over. Boekholt zag de gevolgen hiervan al snel Gezin van Boekholtin de vorm van Japanners die op fietsen de stad in kwamen rijden. Het normale leven in Batavia leek zich echter te herstellen, al werd het beeld op straat steeds meer bepaald door de Japanse bezetter.

Pas vele jaren na de bevrijding werd het Boekholt duidelijk dat zijn vader, die bij de OGEM werkte, een verzetsgroep, bestaande uit mensen werkzaam bij de NIGEM, had georganiseerd. Voor deze activiteiten werd hij voorgedragen voor een Koninklijke Onderscheiding maar die weigerde hij. Boekholt zelf hield zich in deze tijd bezig met het verhuizen van gezinnen, waarmee hij een zakcentje verdiende.

Het gezin Boekholt kon tijdens de Japanse bezetting in het huis aan de Lembangweg blijven wonen maar wel kreeg Boekholt in mei 1945 de oproep zich te melden op het gemeentekantoor. Van hier werd hij getransporteerd naar het Halimoenkamp, aan de rand van Batavia, waar men trachtte Boekholt en diens makkers (Indo-Europeanen) over te halen de kant van de Japanners te kiezen. Boekholt moest op het land werken en hout kappen maar werd vrijgelaten toen Japan op 15 augustus 1945 capituleerde.  

De Bersiapperiode

De periode van de Bersiap duurde in en rond Batavia van 15 augustus 1945 tot en met maart 1946, toen de Nederlandse troepen op Java aan land kwamen. In deze tijd zocht de Militaire Transport Dienst (MTD) chauffeurs en meldde Boekholt zich aan. Voor de MTD transporteerde hij voornamelijk militairen, die hij van de havens naar de kazerne bracht, en maLijk in het Molenvloetakte ritten ten behoeve van het Rode Kruis. Die tochten waren niet zonder gevaar want ook chauffeurs van de MTD waren doelwit van extremisten en veel collega's van Boekholt werden vermoord.

Als Boekholt langs het Antjolkanaal reed rook hij een doordringende lijkenlucht en zag de lichamen, zonder hoofd of ledematen, vaak vastgebonden aan boomstammen, drijven. Naarmate er meer Nederlandse troepen in Batavia verschenen werden de extremisten steeds verder teruggedreven naar het binnenland. De soldaten werden dan ook echt als bevrijders beschouwd. Door bemiddeling van zijn vader werd Boekholt nu aangenomen als bemanningslid op het motorschip Van Heutsz, genoemd naar de bekende generaal.

De taak van dit schip was het vervoeren van ladingen voor de Britse en Nederlandse troepen. Daarnaast werden de troepen zelf en vrouwen en kinderen uit de kampen rond Ambarawa getransporteerd. Andere reizen die Boekholt met de Van Heutsz maakte voerden hem naar Balikpapan, Tarakan, Ternate, Morotai en Menado. De vader van Boekholt maakte een einde aan deze beginnende loopbaan als matroos door hem terug naar Nederland, naar school,  te sturen.

Verdere scholing

Aldus vertrok Boekholt op 3 juli 1946 als werkende passagier met de "Sloterdijk" naar Holland, waar hij door zijn gastouders, Ria en Peter van Krieken, vrienden van zijn ouders,  in de Copernicusstraat 73 in Den Haag werd opgevangen. Hij begon in augustus 1946 aan zijn vervolgopleidiOp het Spuing aan de Dalton HBS. In die tijd volgde hij bokslessen  en liet zich inschrijven bij een sportschool. Toen generaal Spoor per vliegtuig naar Nederland kwam nam de piloot, via via een kennis, een pakje van de ouders van Boekholt voor hem mee.

Boekholt behaalde zijn eindexamen HBS volgens de Londense methode en kwam op 17 juni 1947 op voor zijn eerste oefening in militaire dienst in de Elias Beekman Kazerne in Ede bij het Regiment Jagers. In Ede kreeg hij een nieuwe oproep, nu om zich voor de eerste oefening, op 3 juli 1947, te melden bij de Tapijnkazerne in Maastricht.

Nadat hij met goed gevolg een test in Amersfoort had afgelegd werd Boekholt op 13 oktober 1947 op de School voor Reserveofficieren der Infanterie (SROI) op het Kasteel van Breda geplaatst. Het instituut verhuisde in januari 1948, door de verbouwing van het Kasteel, naar de Jan van Schaffelaarkazerne in Ermelo. Aldaar werd een wervingscampagne gehouden voor de opleiding beroepsofficieren aan de Koninklijke Militaire Academie en Boekholt hiervoor aangenomen. Hij werd op 16 juni 1948 bevorderd tot vaandrig en in afwachting van plaatsing op de Militaire Academie bij het bataljon Grenadiers in Amersfoort gedetacheerd

Koninklijke Militaire Academie

Bij de Koninklijke Militaire Academie werd Boekholt op 1 september 1948 direct al benoemd tot cadet-sergeant omdat hij de opleiding van de SROI al half had gevolgd. Tijdens de inhuldiging van  Koningin Juliana, op 6 september 194commandant erewacht8, vormde hij als een der cadetten van de KMA, samen met de adelborsten van het Koninklijk Instituut voor de Marine, een erehaag bij de pergola op de Dam. Kort hierop werd hij voor zes weken gedetacheerd op de Stormschool te Bloemendaal.

Op 7 oktober 1948 zou de Koningin, in aanwezigheid van Prins Bernhard en Prinses WIlhelmina, in Park Sonsbeek te Arnhem de Militaire Willemsorde uitreiken aan een aantal toekomstige Ridders. Boekholt, die midden in de commandotraining zat, was hierbij aanwezig, en zag onder meer toe hoe Prinses Wilhelmina werd benoemd tot Grootkruis der Militaire Willemsorde. Na de opleiding en zijn bevordering tot tweede luitenant werd Boekholt met ingang van 1 september 1950 geplaatst bij het Regiment Oranje Gelderland te Schalkhaar. Intussen waren zijn ouders, na de souvereiniteitsoverdracht, voorgoed naar Nederland teruggekeerd.

Nederlands Detachement Verenigde Naties in Korea

Boekholt werd met ingang van 1 september 1952 bevorderd tot eerste luitenant en op 18 mei 1953 overgeplaatst naar het 411 Garde Bataljon Fuseliers PrinseBoekholt in Koreas Irene (GBFPI). De oorlogstaak van dit bataljon bestond uit de beveiliging en verdediging van het "object" aan de IJssel in Olst. Het bataljon maakte daarnaast deel uit van het 41ste Regiment Infanterie, onder commando van kolonel Piet van Santen, ridder Militaire Willemsorde.

Boekholt werd op 1 juni 1954 overgeplaatst naar het Regiment Van Heutsz in Oirschot en voor de periode van een jaar gedetacheerd bij het Nederlands Detachement Verenigde Naties in Korea. Hij behoorde tot het 26ste aflossingspeloton en vertrok op 27 juli 1954 per trein naar Marseille. Aldaar vond de inscheping plaats op de "Laos" van de Compagnie des messageries maritimes. Na een lange reis bereikten de manschappen op 30 augustus Seoel en vervolgens Korea. Aldaar werd Boekholt ingedeeld bij het EX (US) Army Corps, dat gelegerd was tegen een heuvelrug.

Een van zijn taken in Korea was de tijdelijk bevorderde korporaals en onderofficieren op de hoogte te stellen van de Nederlandse reglementen. Daarnaast behoorde het ook tot zijn prioriteiten om fronteenheden te bezoeken en de aanvalstechnieken der Noord-Koreanen en Chinezen te leren kennen. Begin oktober kreeg het batajon order terug te keren naar Nederland. Boekholt zelf vertrok op 19 november 1954 per KLM-toestel via Manilla naar Nederland, waar hij op 3 december op Schiphol aankwam en geplaatst werd bij 411 GBFPI.

Bij het Gardebataljon Fuseliers Prinses Irene

Bij dit bataljon nam hij als pelotonscommandant op 6 juni 1954 deel aan de tienjarige herdenking van de invasie in Normandië en het defile op het Normandische invasiestrand voor de Franse president Coty. Boekholt werd benoemd tot commandant van de C-compagnie en was, bij de erecompagnie,  vijf keer aanwezig bij Prinsjesdag in Den HaGarcebataljonag. Dat was als pelotonscommandant, als commandant vaandelwacht en als compagniescommandant.

Andere plechtigheden waar hij acte de présence gaf, in de rang van kapitein, waren het staatsbezoek van de Koning van Zweden aan Nederland (1957) en het staatsbezoek van de Sjah van Perzië (1959), waarvoor hij benoemd werd tot ridder in de Orde van de Homayoen. In september 1958 kreeg Boekholt van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten de opdracht een stille (spook) exercitiecompagnie samen te stellen, als tegenhanger van het spookpeloton van de Koninklijke Luchtmacht.

Niet lang hierna, in 1959,  werd Boekholt overgeplaatst naar Staf I LK (Staf I Legerkorps), commandant generaal P. Gips, en kreeg hij, naast zijn gewone werk, bijzondere opdrachten van Gips, zoals het hem vergezellen bij onverwachte inspecties.

Naar Suriname

Boekholt werd op 29 september 1960 gedetacheerd bij de Hogere Krijgsschool in Den Haag, waar hij de cursus stafdienst ging volgen. Doordat hij een ruime voldoende voor de cursus behaalde en geen goede kwalificatie werd hij niet toegelaten tot de driejarige cursus aan de Hogere KrijgssOp expeditie in Surinamechool die opleidde tot generaal stafofficier. Dat hij niet aangenomen werd was een  grootste teleurstelling en voelde Boekholt als een onrecht, waar hij de rest van zijn leven moeite mee zou hebben.Hoogstwaarschijnlijk speelden bij de afwijzing van Boekholt persoonlijke motieven een rol.

Hij vroeg nu overplaatsing naar Suriname, bij de Troepenmacht In Suriname (TRIS),  aan en dit werd goedgekeurd. Het gezin Boekholt vertrok nu op 3 november 1962 vanuit Amsterdam met het motorschip "Kroon" naar Paramaribo, waar men op 16 november aankwam.  De taak van Boekholt in de West was om de Ostcie (ondersteuningscompagnie) over te nemen omdat zijn voorganger naar Nederland was vertrokken. De Ostcie bestond indertijd uit een mortierpeloton, een zwaar mitrailleurpeloton en een peloton TLW (terugstootloze vuurmond).

Boekholt nam op Suriname onder meer deel aan een karteringsexpeditie naar de zuidoosthoek van Suriname. De taak van het Ostcie was om in het verlengde van de oostelijke grensrivier, de Marowijne, op bepaalde plaatsen langs de rivier  het oerwoud open te kappen en de juiste punten met geel te markeren. Van 8 tot en met 16 oktober brachten Koningin Juliana en Prins Bernhard een bezoek aan Surinama en maakte Boekholt deel uit van de ontvangstcommissie. Hij werd op 1 november 1965 bevorderd tot majoor.

Diverse plaatsingen

Boekholt keerde op 16 november 1967 per vliegtuig terug naar Nederland, waar hij in de functie van officier opleidingen werd geplaatst bij de Inspectie der Infanterie op de Nieuwe Frederik kazerne. Met goedkeuring van de Inspecteur der Infanterie werd hij, na een korte plaatsing bij de staf van het legerkorpsachtergebied, overgeplaatst bij de sectie G3 van Ridder orde oranje nassau in 1065Staf 1 van het legerkorps te Apeldoorn. Aldaar was hij werkzaam op de afdeling operaties.

Tot zijn taak behoorde het, in geval van mobilisatie,  voorbereiden van het verplaatsen naar het oorlogsgebied van alle eenheden. Voor dit doel diende Boekholt nauw contact met alle betrokken eenheden en stafsecties te onderhouden. Daarnaast was hij als codewoordactie officier medeverantwoordelijk voor telegrammen die de aanloop tot een eventuele oorlog regelden. In deze tijd werd Boekholt actief als VVD-lid en opgenomen in de sprekerspool, waarvoor hij lezingen gaf en debatten bijwoonde.

Op 6 juni 1969 begon Boekholt aan zijn twee bataljonsperiode als hoofd van sectie 3 (S3); dit was een periode waarin veel oefeningen in binnen- en buitenland plaatsvonden. In 1973 werd hij, naast zijn organieke functie, benoemd tot gardecoördinator van drie garderegimenten. In deze functie was hij de adviseur van de Koningin inzake benoemingen van gardeofficieren en het militair ceremonieel aan het paleis.

Activiteiten bij de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht en andere functies

Boekholt werd op 1 mei 1973 overgeplaatst naar de Staf van de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht, dat toen onder leiding stond van Prins Bernhard, en meldde zich op 1 mei van dat jaar op landgoed de Zwaluwenberg in Hollandsche Rading. Hij werd geplaatst in sectie 3 en belBoekholt p de zwawenast met de controle op opleidingen en oefeningen. In deze positie werkte hij nauw samen met Prins Bernhard en vergezelde hem op tal van tochten en bezoeken in binnen- en buitenland.

Na deze periode lag het in de bedoeling dat Boekholt een commandofunctie zou gaan bekleden en aldus werd hij met ingang van 25 augustus 1975 benoemd tot commandant van het Opleidingscentrum voor Officieren Speciale Diensten, dat eerst in de Trip van Zoudtlandkazerne te Breda, maar later in de Seeligkazerne gevestigd was. Boekholt droeg op 15 maart 1977 het commando over omdat hij was overgeplaatst naar staf 1 LK als hoofd oefenplanning en tevens commandant van 101 Infanteriebrigade.

Boekholt werd met ingang van 1 april 1977 bevorderd tot kolonel der Fuseliers en op 25 oktober 1979 in de functie van Provinciaal Militair Commandant (PMC)  Gelderland en Flevoland overgeplaatst naar Arnhem. Een van de belangrijkste taken van een PMC was het overbruggen van de kloof tussen burgers en militairen. Voor dit doel organiseerde Boekholt informatiedagen voor burgemeesters en andere bestuurders. Daarnaast commandeerde hij zeven pelotons van vrijwilligers  van de Nationale Reserve en organiseerde hij  mede de vele herdenkingen, waaronder die van de Slag om Arnhem.

Commandant van Bronbeek

Boekholt werd op 31 januari 1983 benoemd tot adjudant van de Koningin in Buitengewone Dienst en verkreeg op 1 november 1984 eervol ontslag uit de militaire dienst. Tijdens de receptie kreeg hij van burgemeester Drijber van ANaam rudi snaarnhem de zilveren medaille van de stad Arnhem. Hij droeg op 26 november 1984 het Provinciaal Militair Commando over aan kolonel W.P. Lap en nam op 20 februari 1988 het commando over het Militair Invalidentehuis en Museum Bronbeek over van generaal W.  Epke. Hiertoe werd hij in actieve dienst hersteld.  Zijn voornaamste taak was de zorg over de bewoners en het beheer van het landgoed.

Onder het bewind van Boekholt bouwde men het ziekenhuis op het terrein om tot ontmoetingscentrum Kumpulan en werden diverse monumenten op het terrein gerealiseerd. Boekholt kreeg op 1 november 1988 zijn bevordering tot brigade-generaal titulair der Fuseliers en ondernam naast zijn werk voor Bronbeek verschillende activiteiten in dienst van Indische organisaties. In zijn biografie zei hij over deze periode: "Dit was niet alleen een verrijking van mijn militaire loopbaan maar ook van mijn leven." Hij gaf op 31 mei 1998 het commando over aan kolonel Geerts en sloot hiermee definitief zijn militaire loopbaan af.

Andere activiteiten

Boekholt richtte in 1991 op verzoek van Minister President Lubbers het Indisch Platform op en was vervolgens tot 30 mei 2001 voorzitter. Nadat hij op 1 november 1984 uit dienst ging aanvaardde hij het vice-voorzitterschCo.lumbarium boroneelap van de Stichting "Herdenking 15 augustus 1945" en in november 1985 het voorzitterschap. Andere commissies waarin Boekholt zitting had waren onder meer de Stichting Geestelijke Weerbaarheid en de Stichting  Comité Nationale Viering Bevrijding. Daarnaast was hij adviseur van de Stichting Herdenking Enschede.

Als stichtingsvertegenwoordiger nam hij zitting in het Comité van Advies van de Stichting Nationaal Indië MonumentUrn boekholyt Roermond 1945-1962, die zich intertijd inzette voor de realisatie van het gelijknamige monument. Hij was ook lid van de Pensioen- en Uitkeringsraad voor Vervolgden.

Boekholt speelde een bepalende rol bij het voorgenomen bezoek van Koningin Beatrix aan de Japanse keizer Hirohito in 1987, toen hij werd uitgenodigd door Minister Van den Broek om hierover zijn opinie te geven.  Kort hierop had hij, samen met andere vertegenwoordigers van de Indische Gemeenschap, over deze kwestie een onderhoud met de Koningin. Uiteindelijk werd het staatsbezoek aan de Keizer afgezegd.

Nadat de ontwerptekst van hoofdstuk 7 van deel 12 van Loe de Jongs standaardwerk "Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog" in 1987 publiek werd stak een storm van verontwaardiging op. De Jong gaf later toe dat hij zich teveel had laten leiden door zijn anti-koloniale gezindheid en niet objectief was geweest. In deze zaak was Boekholt ook zeer actief.

Overlijden en crematie

Boekholt overleed in maart 2011 op 84-jarige leeftijd. De uitvaartdienst vond plaats in de Sint Walburgis Basiliek in Arnhem en aansluitend werd hij gecremeerd. Zijn as werd bijgezet in de urnentuin van Bronbeek.  

Decoraties

Zie ook