Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

Nicolaasje van Heurn


Zie voor andere commandanten van Bronbeek: J.C.J. Smits - K. van der Heijden - C.A. Rijnders N.L.W. van Straten - G.H.J. Noordanus - M.C. Dulfer.


Vroege loopbaan

Jonkheer Nicolaas Cornelis van Heurn ('s-Hertogenbosch, 19 maart 1853 - Velp, 25 april 1918)  trad op 16-jarige leeftijd als volontair in dienst bij het Instructie Bataljon te Kampen en werd op 10 juli 1875 bevorderd tot tweede luitenant bij het leger in Oost-Indië. Nog datzelfde jaar vertrok hij per boot naar de Oost, waar hij na aankomst geplaatst werd bij het twaalfHeurn NC vande bataljon infanterie.

Van Heurn werd op 1 september 1876 overgeplaatst bij het 10de bataljon,  op 1 november 1877 te werk gesteld bij het rechter twaalfde bataljon en op 27 september 1878 benoemd tot eerste luitenant.  In deze rang was hij een tijd adjudant van de commandant van de Tweede Militaire Afdeling te Samarang. Het jaar daarop werd hij met ingang van 1 oktober 1879 geplaatst bij het Korps Pupillen van de Militaire Pupillenschool te Gombong.

Hij verkreeg op 1 november 1887 een tweejarig verlof wegens ziekte naar Europa, waar hij werd bevorderd tot kapitein (9 juli 1889), en keerde per "Prins van Oranje" op 29 maart 1890 naar Indië terug, waarbij hij een afdeling aanvullingstroepen (4 onderofficiers en 70 korporaals en manschappen) begeleidde. Bij Koninklijk Besluit van 1 september 1891 nummer 44 werd Van Heurn benoemd tot ridder in de Militaire Willemsorde vierde klasse voor zijn verrichtingen te Atjeh in 1891.

In de benting te Segli

Op de 31ste oktober 1892, 's morgens om half 10, hoorde men in de benting (te Segli, Atjeh) een hevig geweervuur en bemerkte uit de observatietoren dat enige vijanden de rivier overgestoken waren en voor de zoveelste keer de Pedirese passargangers wilden beroven. Hoewel de PedSegliirezen dit niet goedschiks toelieten hadden de rovers kennelijk toch succes want men zag enige tijd daarna een prauwtje met goederen naar de aan de rechteroever gelegen vijandelijke versterking, door de Nederlanders 't Veertje genoemd, terugkeren.

Van de observatietoren werden enige salvo's op de vijand afgegeven. Dit vuur had zulk een goede uitwerking dat de opvarenden te water sprongen en prauw en lading in de steek lieten. Van Heurn zond eerste luitenant de Neve met 30 bajonetten uit om in de nabijheid van de oude Nederlandse benting (de voormalige versterking Segli) post te vatten en de vijand te beletten de prauw terug te halen.

Toen De Neve veel vuur kreeg uit de Pang Bing (Pedir-brug en andere voorgelegen vijandelijke loopgraven) gelastte de postcommandant tweede luitenant Vester met 50 bajonetten het detachement te versterken, terwijl Van Heurn zelf zich bij de eerstgenoemde troepenafdeling voegde. Nadat de versterking op het terrein was aangekomen vatte hij het plan op de vijand uit 't Veertje te verdrijven.

Verdrijving uit 't Veertje

Luitenant de Neve kreeg hierop last met zijn sectie op te rukken, terwijl Van Heurn zou proberen de aandacht van de vijand af te leiden. Begunstigd door het begroeide terrein naderde de sectie tot dicht bij de vijandelijke bentSegli tweeing toen men plotseling op een open vlakte kwam.

De sectie De Neve kreeg hevig vuur maar aarzelde geen moment, stormde vooruit en De Neve zelf was het eerste in de vijandelijke benting; toen de gehele sectie binnen de veroverde benting was liet de sectiecommandant op de vluchtende vijand vuren en wachtte de komst van Van Heurn met de rest van de troepen af. Ondertussen liet hij de goederen uit de prauw halen.

Toen Van Heurn bij de bHeurnietjesenting aankwam kreeg de sectie last een nabijgelegen vijandelijke versterking, waaruit men vuur kreeg, te nemen terwijl de sectie Vester de veroverde benting bleef bezetten. Deze benting was echter niet zo gemakkelijk te nemen als de eerste want omgeven door twee paggers van 2 meter hoogte.  

Ondanks het hevige vuur van achter de borstwering werd de eerste pagger al snel beklommen, waarna het schieten van de vijand verminderde, en toen men de tweede pagger en de borstwering overschreden had was de vijand reeds verdwenen.

Weer was De Neve het eerste in de veroverde versterking; de vijand had zich toen in een derde verderop gelegen benting genesteld. Ook daaruit werd hij door de sectie De Neve verjaagd, waarop Van Heurn besloot tot de terugtocht. Van Heurn had, kalm als altijd, dit gevecht geleid en onder het hevige vuur van de vijand de troep met slechts twee lichtgewonden weer thuisgebracht.

Gedetacheerd bij het Nederlandse leger

Bij Koninklijk Besluit werd bepaald dat bij afzonderlijke dagorders, zowel in Nederland als in Indië, Van Heurn eervol werd vermeld inzake zijn houding bij de vermHhhhhhe77reestering van enige versterkingen nabij Segli (Atjeh en Onderhorigheden) in de maanden juni, juli en oktober 1892 (dat was zijn tweede eervolle vermelding).

Van Heurn werd nu voor de duur van vijf jaar bij het leger in Nederland gedetacheerd (1 februari 1893), bij het vierde regiment infanterie. Bij Koninklijk Besluit van 1 april 1894 werd een commissie opgericht, bestaande uit de gepensioneerde generaal-majoor Romswinckel (voorzitter, en bekend uit de eerste en tweede expeditie naar Atjeh) en de gepensioneerde kolonel J.A. Vink, luitenant-kolonel Bruinsma, commandant van het Korps Koloniale Reserve, en Van Heurn als leden.

Doel was om de herziening voor te bereiden van de Indische exercitiereglementen der infanterie, met als uitkomst alle niet deugdelijk te motiveren verschillen met de reglementen van het leger in Nederland te doen ophouden.

Commandant van Bronbeek

Van Heurn werd op 1 juni 1896 te Lombok geplaatst. Hij was intussen op 24 mei 1896 bevorderd tot majoor en had de leiding over de patrouille die werd uitgezonden na de verraderlijke moord op controleur van der Hout en bij welk1280px De commandant en de officieren van Bronbeeke patrouille zich ook kapitein J.H. Hartmann bevond.

Van Heurn werd op 1 november 1897 van het elfde bataljon infanterie te Lombok overgeplaatst bij het garnizoensbataljon van Palembang, gelegerd te Lahat, en kreeg in 1897 het Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officier met het cijfer XX. 

Hij werd in 1898 in de rang van luitenant-kolonel titulair wegens lichaamsgebreken gepensioneerd en als opvolger van generaal Karel van der Heijden benoemd tot commandant van Bronbeek in 1900. Zijn adjudant was majoor Schwing. 

Van Heurn nam op 1 juli 1917 ontslag uit deze functie en overleed op 25 april 1918 te Velp. Zijn neef, zoon van zijn zuster, was de latere kolonel Frans Paul Albert van Gheel Gildemeester. Van Heurn en zijn broer, ingenieur Johan van Heurn, werden bij Koninklijk Besluit van 13 januari 1900 verheven in de adelstand. Hij was (vanaf 1900) lid van het Koninklijk Instituut voor Nederlands-Indië.


 

f t

Login