Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

 

Stammeshaus2

  


2019. John Klein Nagelvoort. Toean Stammeshaus. Leven en werken in koloniaal Atjeh. LM Publishers. Dit werk is zowel een biografie van het (militaire) leven van een soldaat te Atjeh als bestuursambtenaar, kenner van volk en cultuur van Atjeh en museumdirecteur. 

Klein Nagelvoort is werkzaam op het Koninklijk Tehuis voor Oud-Militairen en Museum Bronbeek. U kunt het boek hier voor EUR 24,50 bestellen


Inleiding

Vroege periode

Langdurige expeditie naar de Gajoe-Loeös

Civiele loopbaan

Atjeh-paviljoen en Atjeh Museum

Verlof in Nederland en terugkeer naar Atjeh

Laatste levensjaren van Stammeshaus

Ten slotte


Friedriech Wilhelm (Willem) Stammeshaus (Segli, 3 juni 1881 - Amsterdam, 21 augustus 1957) was in de periode 1904-1931 te Atjeh, Sumatra, werkzaam als militair, bestuurder en conservator. Zijn etnografische verzameling stelde hij ten toon in het Atjeh-Museum te Kota Radja.

In 1931 vertrok Stammeshaus naar Nederland en verkocht zijn verzameling aan het Koloniaal Instituut, waar hij vervolgens tot zijn pensionering werkzaam was. 

Vroege periode

Stammeshaus, zoon van een militair en een inlandse vrouw, meldde zich in 1903 bij het Koloniaal Werfdepot te Harderwijk, waar hij een korte opleiding volgde, om als militair in Nederlands-Indië, zijn geboorteland, te dienen. Hij arriveerde te Batavia op 24 juli 1903 en werd gelegerd te Meester Cornelis. Stammeshaus 9

Aldaar maakt hij, ingedeeld bij de vaandelcompagnie, onder meer de toekenning van het Grootkruis in de Militaire Militaire Willemsorde aan gouverneur van Atjeh, J.B. van Heutsz, mee.  

Stammeshaus werd in mei 1904 overgeplaatst naar het 12de garnizoensbataljon, gelegerd te Medan op Noord-Sumatra. Aldaar ging hij deel uitmaken van de mobiele colonne. Deze kreeg als taak het bevoorraden van de eenheid van luitenant-kolonel G.C.E. van Daalen.

Van Daalen maakte in 1904 een tocht door de Gajo- en Alaslanden, onderdeel van Groot-Atjeh. De zogenaamde "onderwerpingsexpeditie", inclusief de gevechten en ontberingen, werden door Stammeshaus uitgebreid in zijn dagboek beschreven. Onder leiding van luitenant-kolonel G.M. Bleckmann nam Stammeshaus vanaf 5 september 1904 deel aan een expeditie naar de Bataklanden.

Klein Nagelvoort beschrijft aan de hand van de aantekeningen van Stammeshaus de ontberingen, strijd en gevaren, en geeft daarnaast een weergave van de groeiende collectie etnologische objecten van Stammeshaus. Deze zouden later de basis gaan vormen van de collectie van het Atjeh-museum te Kota Radja.  

Langdurige expeditie naar de Gajoe-Loeös

In maart 1906 werd Stammeshaus naar een detachement, gelegerd te Maiang, ten noorden van Medan, gezonden. Men deelde hem in bij de derde mobiele colonne. Kort daarop zou deze eenheid deel gaan nemen aan een langdurige expeditie, onder leiding van kapitein A. Kruisheer,  naar de Gajoe-Loeös (Groot Atjeh). Stammeshaus 6

De tocht wordt door Klein Nagelvoort gedetailleerd, beeldend en met vele illustraties beschreven. Stammeshaus schreef tijdens de expeditie een dagboek, waarin hij een goed oog voor detail en situaties, die zich tijdens de expeditie voordeden, toonde. Ook de interne verhoudingen tussen zijn brigade, inlanders, Ambonezen en Medanonezen hadden zijn volle aandacht. 

Stammeshaus besteedde daarnaast zijn tijd aan het leren van de taal der Gajoe's en het bestuderen van hun gebruiken. Van militaire zijde bereikte hem het bericht dat hij, tot dan brigade-commandant, zou worden opgeleid tot sergeant-majoor kwartiermeester. Op 19 oktober 1906 was zijn militaire missie tot een einde gekomen en kreeg hij opdracht om met de zevende en achtste brigade terug te keren naar Koeala Simpang.  

Intussen had Stammeshaus bedenkingen gekregen ten aanzien van zijn militaire loopbaan. Dat kwam met name door zijn belevenissen tijdens de diverse expedities en zijn contacten met de lokale bevolking. Door het overlijden van een vriend ging een plaatsing als klerk voor de Atjeh-Stoomtram-Exploitatie te Kota Radja in eerste instantie niet door. 

In plaats daarvan werd hij bij het 14de bataljon infanterie te Kota Radja ingedeeld en begon met de opleiding tot sergeant-majoor. Die beviel hem echter niet en met de hulp van een officier kreeg Stammeshaus op 17 april 1907  alsnog de plaatsing als klerk bij de Atjeh-Stoomtram-Exploitatie te Kota Radja.

Civiele loopbaan 

Naast eerder genoemde positie bekleedde Stammeshaus in deze tijd tevens die van administrateur bij B. Nass & Co. Klein Nagelvoort beschrijft op ontroerende wijze het weerzien tussen Stammeshaus en diens zieke inlandse moeder en de ontmoeting met zijn aanstaande echtgenote.  Stammeshaus 11 

Stammeshaus verliet uiteindelijk op 20 januari 1909 voorgoed het Nederlands-Indisch leger en bleef werkzaam bij de Atjeh-Stoomtram-Exploitatie. 

Niet veel later verwisselde hij deze functie voor die van klerk bij de civiele gezaghebber te Seulimoen. Alle intriges rondom deze aanstellingen worden door Klein Nagelvoort schitterend beschreven. Gedurende deze periode werkten gouverneur van Atjeh, Swart, en Stammeshaus nauw samen. De eerste uit politieke, de tweede uit etnografische redenen. 

Stammeshaus stelde Swart voor het traditionele huis (Atjeh-paviljoen), bestemd voor de Koloniale Tentoonstelling in Semarang, na de tentoonstelling te herbouwen tot Atjeh-Museum in Kota Radja.

Deze, op zijn beurt, benoemde Stammeshaus tot eerste klerk op het Gewestelijk Bureau in Kota Radja en na veel, door Klein Nagelvoort smakelijk beschreven intriges, tot tijdelijk aspirant gezaghebber (2 juni 1914). 

Atjeh-paviljoen en Atjeh-museum

Stammeshaus besteedde nauwelijks tijd aan bestuurlijke zaken maar des te meer aan zijn verzamelde collectie etnische voorwerpen. Hij was voornamelijk bezig met de opbouw van het Atjeh Paviljoen te Semarang. Hierover schreef hij het werkje: "Het Atjeh-Paviljoen op de Koloniale Tentoonstellling te Semarang in 1914". Sssstammesheua De expositie werd een groot succes. Dat gold ook voor de objecten die daar te koop waren en door Atjehse ambachtslieden speciaal hiertoe vervaardigd. 

Zelfs de toenmalige Gouverneur-Generaal bezocht de tentoonstelling en betoonde zich zeer onder de indruk. De schrijver van Toean Stammeshaus beschrijft de taferelen in en om de tentoonstelling met verve en van beide kanten, zowel de Nederlandse als de inlandse. Het Atjeh-paviljoen werd na afloop van de tentoonstelling ingepakt en naar Kota Radja teruggebracht.

Op 17 februari 1915 werd Stammeshaus bevorderd tot magistraat en voorzitter van de lokale rechtbank bij afwezigheid van de controleur. Daarnaast was hij actief bezig het Atjeh-museum te Kota Radja te herbouwen en opnieuw in te richten, bij gebrek aan objecten met zijn eigen collectie. De opening vond plaats op 31 juli 1915. 

Stammeshaus werd op 5 oktober 1915 benoemd tot gezaghebber Binnenlands Bestuur in Atjeh en Onderhorigheden. In december van datzelfde jaar stelde men hem aan als tijdelijk civiele bestuurder in Tjalang, aan de westkust van Atjeh. Hier heerste droogte. Stammeshaus wist dit probleem op te lossen door een moeras te herleiden tot waterreservoir. Alle problemen die hij daarbij tegen kwam worden door Klein Nagelvoort meesterlijk en humorvol beschreven. 

Civiele bestuursfuncties

Nadat generaal Swart af trad als gouverneur van Atjeh verslechterde de relatie tussen Stammeshaus en de bestuurders in Kota Radja. Erkenning kreeg hij wel van de Atjehers, die hem "Toean Stammeshaus" noemden en de Atjehse titel "Teukoe Ampön Tjalang" schonken. Stammeshaus 1

Daarnaast verkreeg Stammeshaus van hen diverse interessante documenten zoals die het schip de Nisero in 1883 betroffen. Klein Nagelvoort schenkt hier uitgebreid en goed gedocumenteerd aandacht aan. Dat doet hij ook aan amok makende Atjehers en tevens schetst hij de achtergrond daarvan.

Stammeshaus werd op 29 oktober 1921 bevorderd tot gediplomeerd gezaghebber bij het Binnenlands Bestuur te Tjalang met een salaris van 450 gulden per maand.

Hij had nu recht op een verlof van een jaar naar Nederland. Helaas was de relatie tussen Stammeshaus en gouverneur Van Sluijs, een vijand van generaal Swart, niet geweldig. Over het Atjeh-museum dacht Van Sluijs geheel anders: "Neem die roestrommel maar mee naar Holland, dan zijn wij er hier ook van af".  Uiteindelijk nam Stammeshaus de belangrijkste stukken uit het museum en liet deze verpakken om naar Nederland te transporteren. 

Verlof in Nederland en terugkeer naar Atjeh

Stammeshaus en zijn gezin vertrokken in juni 1922 met het stoomschip Jan Pieterszoon Coen naar Nederland, waar zij in Utrecht gingen wonen. Aldaar organiseerde Stammeshaus met zijn Atjehse memorabilia al snel een tentoonstelling over Atjeh. Stammeshaus 13In Den Haag ontmoette hij zijn oude chef Swart, dan voorzitter van het directorium van het Atjeh-instituut en verbonden met het dan nog te bouwen Koloniaal Instituut. 

Op 8 maart 1923 diende Stammeshaus een verzoek tot verlenging van zijn verlof van zes maanden wegens ziekte in. Maar nadat gouverneur Van der Sluijs vertrokken was vroeg Stammeshaus op 26 oktober 1923 formeel aan het bestuur in Batavia te Atjeh herplaatst te worden. 

Men besloot Stammeshaus te belasten met het bestuur over de onderafdeling Lho Nga, afdeling Groot Atjeh en gelegen op 15 kilometer van Kota Radja. Op 14 januari 1924 werd hij toegevoegd aan de commissie van toezicht over het Atjeh Museum en later opnieuw tot beheerder aangesteld. 

In deze periode vonden diverse verwikkelingen te Atjeh plaats, die Klein Nagelvoort levendig beschrijft. Kern van de onrust lag in hetgeen een hoofd Stammeshaus toevertrouwde: "Wij hebben het goed maar als de kompenie vandaag vertrekt geven wij een feest." Anderen waren onder invloed van hun islamitische geloof bereid te sterven in de strijd tegen het Nederlandse gouvernement. 

Stammeshaus werd in september 1924 bevorderd tot controleur bij het Binnenlandse Bestuur (met 36.000 inwoners onder zich). Hij nam daarnaast op 15 december 1924 het conservatorschap van het Atjeh Museum weer op zich. 

Klein Nagelvoort geeft in zijn boek een goed inzicht in de intriges tussen de rangen en standen binnen het Binnenlandse Bestuur in en om Atjeh. Dat is met name interessant omdat het steeds het lot van Stammeshaus leek te bepalen binnen het bestuur. Klein Nagelvoort laat ook goed zien hoe de bestuurders soms zo druk bezig waren met zichzelf dat men aankomende opstanden niet aan zag komen. Pas toen kapitein G.F.V. Gosenson op 25 mei 1927 de belangrijkste verzetsleider op de westkust doodde waren de opstanden definitief ten einde. Hoewel Stammeshaus waarschuwde dat een tijd van vrede met de Atjehers wellicht nooit zou komen. 

Laatste levensjaren van Stammenhaus

In oktober 1929 bood professor Van Eerde, verbonden aan het Koloniaal Instituut in Amsterdam, Stammeshaus 8.000 gulden voor zijn gehele collectie van het Atjeh Museum. Stammeshaus 12 Aan het begin van het jaar 1931 vertrokken Stammeshaus, zijn gezin en de collectie uit het Atjeh Museum per stoomschip Johan de Witt naar Genua. Van hier reisden zij per trein naar Amsterdam.

Met ingang van 1 maart 1931 begon Stammeshaus op vrijwillige basis op het Koloniaal Instituut te werken. Hij werd met ingang van 1 januari 1932 formeel in dienst genomen als adjunct-conservator bij de afdeling Volkenkunde. Gelukkig in Nederland werd hij echter nooit. Zijn hart lag in Atjeh. 

Tijdens de bezetting van Nederlands-Indië door Japan werd zijn eerste zoon vermoord door de Japanners. Twee jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog ging Stammeshaus met pensioen. Zijn Atjehse woordenboek zou nooit een succes worden doordat Indonesië onafhankelijk werd en er geen vraag meer naar zijn werk was.. 

Het oude Atjeh van Stammeshaus was verdwenen en daarmee zijn leven. Wat restte was het schrijven van zijn memoires.  Stammeshaus overleed in 1957. 

Ten slotte

Toean Stammeshaus is een uniek boek en niet alleen omdat het vlot en zeer leesbaar geschreven is. Klein Nagelvoort heeft het vermogen mensen, reeds lang overleden, te doen herleven. Door zijn woorden heen zien wij hoe Stammeshaus worstelde met de vraag wat hij wilde. Hoe zijn interesse voor volk en cultuur van Atjeh gewekt werd en voelt men als het ware Stammeshaus zijn frustratie als hij door "het bestuur" weer eens tegengewerkt werd. 

Tot leven gewekt door Klein Nagelvoort kan de lezer een tijd beleven, reeds lang in het verleden bezonken, waarin Stammeshaus vocht voor zijn ideaal: een eigen museum voor het land en volk dat hij liefhad. 

Wij raden iedereen aan dit schitterend geïllustreerde boek, een deel van onze geschiedenis, ter hand te nemen en zich mee te laten voeren naar een strijdperk, waaruit veel te leren valt. De geschiedenis is per slot van rekening het heden, gezien door de toekomst....


f t

Login