Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

Eergeweten

 


G.J. Schüssler. Naar eer en geweten. Met een voorwoord van Prins Bernhard. Kroniek van een bewogen leven. Uitgeverij De Bookmakers. 1998. 242 bladzijden. Het fotoalbum kunt u hier bekijken. 


 Inleiding

Schüssler begint zijn boek met het voorwoord, "Naar eer en geweten", waarin hij hevige kritiek uit op de inzet van het hedendaagse leger als vredesleger. "De commandant van de Nederlandse troepen in Screbrenica P1150492kneep een oogje dicht toen duizenden moslims, die onder zijn verantwoordelijkheid waren geplaatst, werden afgevoerd met noodlottige afloop.

Deze commandant werd na dit echec prompt gepromoveerd. Hij had het wit in de ogen van de vijand gezien, maar tijdens een vrolijk onderonsje,  waarbij met glazen drank een toast werd gebracht op de gezondheid van de vijandelijke bevelhebber. Dit is de waanzinnige contradictie van een vredesleger."(bladzijde 12).

Over de kritiek die de oud-Indië- en Koreagangers  te verduren kregen schrijft hij: "Het is gemakkelijk om vanuit de luie stoel een standpunt aan te matigen over de verrichtingen van krijgers aan het front, zoals met de politionele acties in Nederlands-Indië en ook met de deelname aan de Koreaanse oorlog is gebeurd. Mensen die naar eer en geweten overeenkomstig hun militaire eed hun leven in de waagschaal stelden moesten naderhand bergen kritiek verstouwen."

Opleiding tot officier

Schüssler begint zijn werk met een korte beschrijving van zijn jeugd en de invloed van het  tragische overlijden (1936) van zijn vader, die aan de drank raakte na het faillissement van zijn onderneming. Na de Tweede Wereldoorlog, die Schüssler doorbrengt in Nijkerk, schreef hij zich in voor een studie Indisch Recht aan de Universiteit van Utrecht. Echter al na drie maanden volgde een oproep voor de militaire dienst, waarna Schüssler zich op 8 mei 1946 bij de Saksen Weimarkazerne in Arnhem aanmeldde. P1150486

Aangezien hij geselecteerd werd voor de officiersopleiding maakte dit de oorspronkelijke indeling bij de 7 December Divisie ongedaan. Na de officiersopleiding in Kijkduin selecteerde men Schüssler voor de reserveofficiersopleiding aan de Koninklijke Militaire Academie, waarna hij ingedeeld werd bij het vijfde bataljon van het derde regiment infanterie, gelegerd te Bergen op Zoom. 

Schüssler ontving in mei 1947 een detachering bij de Stormschool in Bloemendaal, waar hij een commando-training van vier weken volgde, en direct daarop naar de Oost vertrok.

Naar de Oost

Schüssler scheepte zich op 4 december 1947 op het motorschip "Sloterdijk" in en arriveerde op 31 december voor de kust van Sumatra, waarna zijn eenheid in Rimboe Rakit werd gelegerd. Al snel kreeg hij de gelegenheid aan de selectietest voor beroepsofficieren te Bandoeng deel te nemen. Doel van Schüssler was zich aldaar bij het Korps Speciale Troepen, dat hier haar hoofdkwartier had, aan te melden. P1150502

De dag na aankomst vervoegde hij zich derhalve bij kapitein Raymond Westerling, waarna Schüssler in oktober 1948 bij deze eenheid geplaatst werd. Westerling wisselde op 16 november 1948 wacht met luitenant-kolonel W.C.H. van Beek, zodat  Schüssler effectief slechts een maand onder Westerling diende.

Hij werd al snel benoemd tot commandant van het A-peloton van de derde commando-compagnie, die onder leiding van kapitein Faber stond. In zijn werk beschrijft Schüssler uitvoerig deze enerverende periode, de werkzaamheden, de tweede politionele actie, waarbij hij gewond raakte door een trekbom, en de politieke- en economische situatie in Indonesië. 

Na de strijd ontving Schüssler opdracht deel te gaan uitmaken van het detachement dat Japanse oorlogsmisdadigers moest begeleiden naar Japan. Op 2 februari 1950 kreeg hij bevel zich in te schepen aan boord van de "Tjitjalengka" en zich naar Ambon te begeven, waar opstandige Ambonezen geweigerd was deel te nemen aan de APRA-staatsgreep. Deze opmerkelijke periode krijgt terecht veel aandacht in het boek van Schüssler. 

Militaire Willemsorde, opleiding tot jachtvlieger en Korea

Schüssler ontving bij Koninklijk Besluit van 24 augustus 1950 de Militaire Willemsorde voor zijn verrichtingen tijdens de politionele acties. In zijn boek geeft hij een uitgebreide historische beschouwing van deze ridderorde en de uitreiking alsmede van het feit dat hij tot twee keer toe werd voorgedragen. P1150519 De eerste geschiedde dit door kapitein Faber in het voorjaar van 1949 wegens Schüsslers acties op Midden-Java en de tweede keer, in juni 1949, voor zijn werkzaamheden op Oost-Java. 

In zijn autobiografie schenkt Schüssler ook aandacht aan andere Ridders der Militaire Willemsorde, waaronder Mauritz Kokkelink en Tivadar Spier. Na zijn terugkeer in Nederland werd hij in afwachting van herplaatsing ondergebracht in Kamp Prinsenbeek en tekende op 3 augustus 1950 een verbandakte bij de luchtmacht met bestemming voor de opleiding tot jachtvlieger in Texas. 

Aldaar verbleef hij zes maanden, die uitgebreid in Schüsslers boek ter sprake komen. Intussen meldde hij zich aan voor deelname aan de oorlog in Korea, waarvoor hij op 15 oktober 1951 zijn handtekening op de verbandakte plaatste. De situatie in Korea alsmede Schüsslers werkzaamheden worden in het werk in extenso beschreven. Schüssler raakte uiteindelijk gewond en keerde in oktober 1953 naar Nederland terug, om hier direct opgenomen te worden in een Utrechts ziekenhuis. 

Koninklijke Militaire Academie

Schüssler werd met ingang van 1 maart 1954 op de Koninklijke Militaire Academie benoemd tot commandant der derde cadetten-compagnie en belast met de praktische opleiding der infanteriecadetten. In zijn werk komen alle intriges en verwikkelingen aan dit instituut voorbij, inclusief het optreden van de gouverneur, kolonel Kloppenburg. P1150514

Nadat Schüssler na een aanvaring met Kloppenburg van de Koninklijke Militaire Academie verwijderd werd en ingedeeld bij het Territoriaal Bevelhebber Zuid volgde zijn benoeming tot adjudant van de gouverneur in Suriname (1960). Op 1 juli 1960 vertrok hij derhalve per vliegtuig naar dit gebied, waar hij drie jaar lang in genoemde functie actief zou blijven. 

Na terugkeer in Nederland  werd hij benoemd tot selectie-officier bij het selectiecentrum van de Koninklijke Landmacht in Kamp Waterloo te Amersfoort.

Al snel echter ontving Schüssler de vraag of hij als VN-waarnemer naar India uitgezonden wilde worden, een lokatie die na een paar maanden wijzigde in Damascus. 

Waarnemer bij de VN

Met ingang van 1 juli 1966 was Schüssler aldus in functie als "soldier for peace" en bracht hij zijn werkdagen op de Golan Hoogvlakte door. Hij beschrijft deze periode in zijn werk met veel details en oog voor de politieke verhoudingen. In 1970 volgde een nieuwe opdracht en werd hij benoemd tot liason-officier te Amman. P1150540

Aldaar steeg de spanning, na een aanslag op Koning Hoessein, tot grote hoogte en beleefde Schüssler spannende tijden, waarvan hij een uitgebreide beschrijving geeft.

Eind 1970 wisselde hij weer van betrekking toen hij werd benoemd tot officer in charge met als standplaats Tiberias, waar hij de volledige verantwoordelijkheid over de Golan Hoogvlakte en vijftig waarnemers kreeg.  

In 1979, ten tijde van de UNIFIL-uitzending,  bood hij zijn ervaring en expertise met betrekking tot het Midden-Oosten aan de legerleiding aan maar deze aanbieding werd geweigerd. Dit sterkte Schüssler in zijn overtuiging dat het leger geleid zou worden door bureaucratie, eigenbelang en persoonlijke motieven. In deze periode was hij werkzaam als commandant van het 42stde treinen-bataljon in Assen. 

Intriges achter de schermen

Schüssler diende op 18 maart 1976 bij het Kapittel een verzoek in tot bevordering in de Militaire Willemsorde  wegens zijn werkzaamheden in het Midden-Oosten. Omdat hij hieromtrent niets meer vernam had hij het voornemen op 1 mei 1979 ontslag te nemen uit de militaire dienst. Hij meldde in de begeleidende brief van de ontslagaanvraag aan de Koningin dat hij zich zeer teleurgesteld voelde. P1150559

Generaal Hoeben, hoofd personeelszaken van de Landmacht,  honoreerde deze ontslagaanvraag niet. Men gaf pas op 18 juni 1979 aan de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht, luitenant-generaal De Savornin Lohman, oppdracht een onderzoek in te stellen naar het verzoek tot bevordering in de Militaire Willemsorde. Schüssler werd bij schrijven van 12 maart 1980 geïnformeerd dat er geen gevolg aan kon worden gegeven. 

In 1980 werd Schüssler door de Bevelhebber der Landstrijdkrachten aangewezen als Koning der Wapenen, bestemd deel uit te maken van de inhuldigingsstoet ter begeleiding van Beatrix en Claus tijdens de inhuldigingsplechtigheid. Deze postitie werd hem echter ten gunste van Eric Hazelhoff Roelfzema ontnomen. 

Schüssler verliet, samen met luitenant-kolonel Koert Bavink, op 29 april 1981, als laatste Ridders der Militaire Willemsordes, de actieve dienst. 

Ten slotte

In veler ogen was Schüssler een controversieel persoon. Of dit waar is of niet, kleurrijk is hij wel. Dit gegeven maakt zijn biografie in ieder geval boeiend en vol interessante anecdotes. En laten we wel wezen: dat hij de toenmalige gedragsregel binnen het leger "ik probeer het beste uit mijzelf te halen en van mijn fouten te leren" belachelijk maakt is volslagen terecht. Schüssler zag de bron van veel ellende binnen het leger in het volgende:

"Het probleem is ontstaan op het moment dat gezagsdragers  hun functie als die van een manager gingen beschouwen. Zo'n ontwikkeling gaat gepaard met vergaderkoorts, discussies en inspraak. Voor het computerscherm en achter het bureau raakt men van lieverlede het zicht op de intrinsieke waarde van werkelijk gezag en de uitoefening daarvan kwijt. " Waarvan akte. 


 

f t

Login