Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

 

Diepenheim LG 


Jonge jaren en bij het KNIL

Expeditie naar Timor 

Expeditie naar Nias

Periode voor de Atjeh-oorlog

Strijd te Atjeh

Latere loopbaan en overlijden


Jonge jaren en bij het KNIL

Louis Guillaume Diepenheim (Den Haag, 27 september 1836 - Den Haag, 9 mei 1891) was de zoon van Jan Willem Casper Diepenheim en Marie Henriette Burnier. Hij trouwde op 9 januari 1861 met Carolina Christina Munder. 

Diepenheim trad met ingang van 19 mei 1852 als soldaat bij het Instructie Bataljon in militaire dienst en werd daar op 1 oktober bevorderd tot korporaal titulair. De maand daarop trad hij in dienst bij het Koloniaal Werfdepot, waar hij op 23 mei 1853 tot korporaal effectief werd benoemd. 

Een jaar nadat Diepenheim, op 26 november 1853, de rang van sergeant bereikte betrad hij de Palembang om naar Batavia te varen. Aldaar werd hij eind februari 1855 ingedeeld bij het Eerste Bataljon Infanterie (KNIL).

De naam van dit bataljon werd tijdens een reorganisatie in november 1856 veranderd in Tiende Bataljon Infanterie. Diepenheim werd in januari 1857 bevorderd tot tweede luitenant bij het Zevende Bataljon Infanterie en enkele maanden later geplaatst bij het Tiende Bataljon Infanterie. 

Expeditie naar Timor 

In en rondom Timor was het rond 1857 al enige tijd onrustig. Grenzen en afgelegen posten van het onder gouvernementsbeheer staande gedeelte van dit eiland werden op bevel van de fettor van Takaip aangevallen. Diepenheim detail MWODe gouverneur-generaal besloot derhalve in juli een expeditie naar Timor te sturen. Deze bestond uit een bataljon infanterie, waaronder Diepenheim zich bevond, artillerie en sappeurs. 

De krijgsmacht stond onder bevel van kolonel der infanterie L.J. Krol, met als tweede commandant majoor J.C.J. Smits (later de eerste commandant van Bronbeek). De troepen werden ondersteund door de oorlogsschepen Amsterdam en Merapi.  

Op 23 september werd naar het verblijf van de radja opgerukt. De mars verliep door een dicht begroeid en bergachtig terrein, waarbij de manschappen voortdurend beschoten werden. Op de 25ste vond een hevig gevecht plaats, waarbij aan Nederlandse zijde diverse manschappen en officieren gewond raakten of sneuvelden. De Nederlandse expeditiemacht was echter sterker en de vijand werd overwonnen. 

Tijdens de gevechten kreeg Diepenheim een schampschot tegen zijn hoofd en raakte een kogel zijn rechter elleboog. Hij werd voor zijn verrichtingen (met name bij Takaip en Lidak) op Timor bij Koninklijk Besluit van 17 februari 1858 nummer 84 benoemd tot Ridder in de Militaire Willemsorde. Specifiek werd zijn actie op 27 september genoemd, toen hij veel moed betoonde tijdens het gevecht en de bestorming van de ravijnrand bij Batoe Belo (vallei Tapika).   

Expeditie naar Nias

Diepenheim, die na de expeditie naar Timor nog deelnam aan de expeditie naar Boni (onder leiding van generaal J. van Swieten), werd op 24 mei 1860 bevorderd tot eerste luitenant bij het Zevende Bataljon Infanterie. Dat jaar vonden nog overplaatsingen naar het Elfde en Zeventiende Bataljon plaats. Op 9 oktober 1863 werd hij benoemd tot luitenant-adjudant. 

In 1863 besloot men een nieuwe expeditie naar Nias uit te zenden. De commandant van de Westkust van Sumatra kreeg opdracht deze zodanig samen te stellen dat zij sterk genoeg was eerdere nederlagen te herstellen. De troepen moesten dus krachtig genoeg zijn Leulawaoe te veroveren en de kampongs te straffen die zich in februari 1861 schuldig hadden gemaakt aan de roof van geschut, wapens en munitie. 

Expeditieleider was majoor H.J. Fritzen, chef van de staf kapitein W.J.J. Docters van Leeuwen en eerste luitenant Diepenheim waarnemend adjudant. In totaal bestond de troepenmacht uit 27 officieren en 601 manschappen. Ook werden 150 koelies en 150 kettinggangers meegenomen. 

Het gouvernementsstoomschip Hertog Bernard en het koopvaardijschip Antonia Petronella dienden om de troepen en vivres naar Nias te transporteren. Stoomschip Reinier Claeszen zou ter plaatse ondersteuning gaan bieden. 

Het plan de campagne was eerst Leulawaoe te onderwerpen en vervolgens Orahili, Hilibobo en Botohosi een les te lezen. Het was nadrukkelijk niet de bedoeling het bezette land rechtstreeks onder het bestuur van het gouvernement te brengen maar na afloop zo spoedig mogelijk naar de Westkust van Sumatra terug te keren. 

Periode voor de Atjeh-oorlog

Diepenheim werd in oktober 1865 overgeplaatst naar het Tiende Bataljon Infanterie. Op 29 april 1868 bevorderde men hem bij dit bataljon tot kapitein. In de periode tussen 1866-1867 was hij met het Tiende Door onze krachten bleven de handen vast kopie Bataljon actief tijdens de krijgsverrichtingen in de Pasoumahlanden (Sumatra). Diepenheim werd bij Afzonderlijke Dagorder bij Koninklijk Besluit van 7 april 1869 nummer 23 Eervol Vermeld voor zijn verrichtingen aldaar gedurende de periode mei-oktober 1866 en mei 1867.

Op 6 maart 1870 verkreeg hij bij Gouvernements Besluit van 6 maart van dat jaar een verlof van twee jaar naar Nederland. Datzelfde jaar ontving hij ook het Onderscheidingsteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven met de gesp Boni. Diepenheim keerde op 6 november 1871 terug van verlof en werd bij het Elfde Bataljon Infanterie geplaatst.

In april 1972 werd hij overgeplaatst naar het Tiende Bataljon Infanterie en ontving aan het einde van dat jaar het Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als Officier. Diepenheim kreeg in augustus 1873 een nieuwe overplaatsing, nu naar het Garnizoensbataljon op de Molukse eilanden. Hij werd aldaar op 31 juli 1875 bevorderd tot majoor.  

Strijd te Atjeh

Diepenheim werd met ingang van 29 november 1875 bij het Negende Bataljon Infanterie te Atjeh geplaatst. Bij Koninklijk Besluit van 24 maart 1877 nummer 5 (Indisch Besluit van 10 mei 1877 nummer 17) benoemde men hem tot Ridder in de Militaire Willemsorde Derde Klasse. Dat was in het bijzonder voor zijn verrichtingen gedurende het tijdvak 26 december 1875 tot 9 maart 1876 tijdens de operaties tegen de IV, VI, IX en XXII Moekims onder generaal Pel

  • "Op 17 januari 1876: tocht door Diepenheim de kloof Blangkala. Onder zeer gevaarlijke omstandigheden in de kloof aan Blangkala heeft hij de vijandelijke positie verkend, waarbij de commandant van de spits en de gids naast hem sneuvelden. Daarna gaf hij met beleid bevel tot de aanval op die positie, die met goed succes bekroond werd; 
  • Van 28 januari tot 31 januari 1876: gevecht bij Boekit Daroe. Vermeestering Missigit Olek Soesoe. Bij de opmars van Pakan Badok naar Koelit Daroe en bij de aanval op Missigit Olek Soesoe was hij als commandant van een colonne op zich zelf aangewezen om te ageren. Hij voerde met beleid zijn troepen aan en het lukte hem de hem opgedragen opdrachten (nemen van Boelit Daroe en de Missigit) met succes uit te voeren;
  • Van 3 februari tot 14 februari en 15 februari 1876: gevecht bij Toeram, Atau, Meroe Tjapoetoe. In de gevechten bij Toeran Atau, Meroe en Tjapoetoe wist hij met beleid de verschillende onderdelen van zijn bataljon in de aangegeven positie in het gevecht te brengen. Vooral bij eerst genoemd gevecht deed hij dit door het goed uitvoeren van een omtrekking van de vijand, waardoor deze tussen twee vuren kwam, waardoor de vijand genoodzaakt was over een open vlakte te vluchten en vele verliezen leed. 
  • Op 7 maart 1876: gevecht bij Lambaroe. Onder zeer moeilijke en gevaarlijke omstandigheden wist hij zijn colonne door de kampong Lambaroe tot aan de versterking van die naam te brengen en door zijn beleidvolle gedrag droeg hij veel bij tot het grote succes van die dag."

Diepenheim werd in juni 1876 overgeplaatst bij het Derde Bataljon Infanterie en in augustus van datzelfde jaar bij het Dertiende Bataljon geplaatst. Begin 1877 kreeg hij bij Gouvernements Besluit van 3 februari 1877 wegens slechte gezondheid een tweejarig verlof naar Nederland. In mei 1879 keerde hij als commandant van een detachement suppletiegroepen aan boord van de Prinses Marie terug naar Batavia. 

Eenmaal weer in de Oost werd hij ingedeeld bij het Veertiende Bataljon Infanterie en in juni 1880 geplaatst bij het Eerste Garnizoensbataljon van Atjeh en Onderhorigheden (onder generaal Van der Heijden). Met dit bataljon nam hij deel aan de krijgsverrichtingen. Op 20 september 1880 bevorderde men hem tot luitenant-kolonel. 

Latere loopbaan en overlijden

Diepenheim kreeg met ingang van 27 september 1880 een benoeming als plaatselijk commandant van Batavia. Nadien was hij vanaf 1 augustus 1881 nog actief als militair commandant van de Padangse Bovenlanden. Van deze positie werd hij op 14 juli 1882 overgeplaatst bij het Garnizoensbataljon aan de Westkust van Sumatra. 

Diepenheim verkreeg op 27 maart 1883 eervol ontslag uit het Indische Leger, met toekenning van de titulaire rang van kolonel. Hij keerde naar Nederland terug en vestigde zich in Den Haag. Aldaar overleed hij in mei 1891 op 54-jarige leeftijd. Hij werd begraven op de Algemene Begraafplaats, Kerkhoflaan, in Den Haag. 

f t

Login