Gebruikerswaardering: 3 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter inactiefSter inactief
 

Voorst tot Voorst HFM


 Zie ook het fotoalbum van Sint Petrus Banden en de Algemene Begraafplaats op de Kerkhoflaan in Den Haag.


Inleiding

Vroege loopbaan

Koninklijke Militaire Academie

Diverse functies

Jaren twintig en dertig

Periode voor de Tweede Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog

Periode vlak na de oorlog

Latere leven

Decoraties

Zie ook


Inleiding

Herman Franciscus Maria baron van Voorst tot Voorst (Den Haag, 2 augustus 1886, overleden te Den Haag, 9 julLuitenant generaal van Voorst tot Voorst - kopiei 1971) was een Nederlandse luitenant-generaal. Hij was de zoon van Jan Joseph Godfried baron van Voorst tot Voorst (1846-1931), lid van de Eerste Kamer en een broer van Jan Joseph Godfried (1880-1963), luitenant-generaal

Van Voorst tot Voorst ligt begraven op de Katholieke begraafplaats Sint Petrus Banden aan de Kerkhoflaan in Den Haag.

Vroege loopbaan

Van Voorst tot Voorst deed in juli 1903 zijn eindexamen HBS en kwam met ingang van 18 september 1903 in aanmerking voor een plaatsing op de Koninklijke Militaire Academie, richting Cavalerie. Hij werd op 25 juli 1906 bevorderd tot tweede luitenant bij het derde Regiment Huzaren, in garnizoen te Den Haag. In deze tijd nam Van Voorst tot Voorst met succes deel aan diverse springconcoursen, zoals die te Woerden in augustus 1907, met zijn paard Graaf Dirk. Daarnaast maakte hij lange afstandsterreinritten, zoals die in mei 1907 werd georganiseerd door de Militaire Sportvereniging te Nijmegen.

Van Voorst tot Voorst werd in november 1909 overgeplaatst van Den Haag naar het eerste depot Huzaren in Haarlem en in mei 1910 bevorderd tot eerste luitenant.  Hij werd met ingang van 1 oktober 1912 gedetacheerd bij de rij- en hoefsmidschool te Amersfoort en aan het einde van dat jaar overgeplaatst bij het tweede regiment Huzaren te Venlo.

Koninklijke Militaire Academie

Van Voorst tot Voorst werd met ingang van 1 oktober 1913 in de functie van leraar gedetacheerd bij de Koninklijke Militaire Academie en in verband daarmee overgeplaatst bij de staf deVoorst tot voorstr Cavalerie.  Bij de Koninklijke Militaire Academie maakte hij in 1914 deel uit van de commissie, onder voorzitterschap van kapitein der infanterie A. Dudok van Heel, die zich tot doel stelde een geschiedkundige verzameling voor de Academie te stichten.

Van Voorst tot Voorst werd van 1 tot en met 21 juli 1914 gedetacheerd aan de Militaire Gymnastiekschool te Utrecht en was onder meer tijdens de toelatingsexamens van pupillen voor de Koninklijke Militaire Academie in 1916 belast met het onderzoek van hen naar de bedrevenheid in lichaamsoefeningen. Gedurende deze jaren bleef hij steeds actief de paardensport beoefenen. In 1918 volgde hij gedurende enige tijd de studie aan de Hogere Krijgsschool.

Diverse functies

Van Voorst tot Voorst werd in augustus 1921 gekozen tot hoofdbestuurslid van de Algemene Rooms-Katholieke Officierenvereniging. Met ingang van 1 november 1922 werd hij ontheven van zijn detachering onder de bevelen van de chef van de Generale Staf, op 19 augustVoorst in actieus 1924 bevorderd tot ritmeester bij de staf van het wapen de Cavalerie en op 16 oktober toegevoegd aan de commandant van het veldleger te Den Haag. 

Bij Koninklijk Besluit van 30 augustus 1924 werd Van Voorst tot Voorst benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau met de Zwaarden en het jaar daarop aangesteld tot lid van de Algemene Reglementencommissie.  Met ingang van 6 juli 1925 werd hij gedetacheerd bij het eskadron wielrijders te Den Bosch. Naast zijn professionele werkzaamheden hield Van Voorst tot Voorst ook lezingen, zoals tijdens de bijeenkomst van de Vereniging ter Beoefening van de Krijgswetenschap, in februari 1926, over de rivierverdediging en rivierovergangen.

Jaren twintig en dertig

Van Voorst tot Voorst diende enige tijd bij het tweede regiment Huzaren en werd met ingang van 1 oktober 1926 overgeplaatst bij de generale staf en benoemd toOverdracht3t waarnemend adjudant van de commandant van het veldleger. Naast zijn militaire werkzaamheden was hij actief als lid van de Raad van Commissarissen van de NV Internationale Rijn-Maas Hypotheekbank.

Bij Koninklijk Besluit van 22 juni 1929 werd Van Voorst tot Voorst met ingang van 1 augustus 1929 bevorderd tot majoor en in september 1930 benoemd  tot voorzitter van de Algemene Rooms-Katholieke Officierenvereniging. Met ingang van 1 november 1931 werd hij belast met  de functie van sous-chef van de staf van het hoofdkwartier van het veldleger.

Van Voorst tot Voorst richtte de rede die hij hield tijdens de bijeenkomst van de Landstormcommissie begin 1933 in Den Haag rechtstreeks tot hen die geen lid waren van de Landstorm. Hij zei onder meer: "Evenals onze voorouders de grondslag hebben gevormd om onder de Oranjes het juweel van West-Europa te grondvesten, zo moeten wij onder onze vorstin, onder haar gezag, de vrede en veiligheid handhaven" (bron: Het Vaderland, 16 februari 1933).

Periode voor de Tweede Wereldoorlog

Van Voorst tot Voorst werd met ingang van 1 november 1934, inmiddels bevorderd (1 mei 1934) tot  luitenant-koloOverdracht commandonel, benoemd tot commandant van het regiment wielrijders in Den Bosch; dat was als opvolger van luitenant-kolonel H.P.J. baron van Lawick, die benoemd was tot gouverneur van de Koninklijke Militaire Academie.

Als opvolger van generaal Fabius werd Van Voorst tot Voorst in september 1936 aangesteld tot inspecteur der Cavalerie; daarnaast was hij nog steeds actief als commandant van het regiment wielrijders.  Hij werd, bij besluit van de Koning der Belgen, datzelfde jaar benoemd tot commandeur in de Leopoldsorde en maakte indertijd ook deel uit van een deputatie die een eresabel aan Prins Bernhard aanbood.

Van Voorst tot Voorst werd in 1937 bevorderd tot kolonel en in mei 1937 benoemd tot militair lid van het ambtenarengerecht te Den Haag. Hij was toen tevens actief als commandant van de lichte brigade. Het jaar daarop, op 1 november 1938, volgde zijn bevordering tot generaal-majoor. Bij Koninklijk Bevel van 3 februari 1940 werd Van Voorst tot Voorst eervol ontheven van zijn functie van commandant der lichte Cavalerie, tevens inspecteur der Cavalerie en wielrijders en in zijn rang overgeplaatst naar de Generale Staf als souschef. 

Tweede Wereldoorlog

Van Voorst tot Voorst weigerde na de capitulatie van Nederland zijn woord te geven dat hij zich niet tegen de DuitVoorst tot voorst tijdens WOIIse bezetter zou verzetten (loyaliteitsverklaring) en werd al spoedig, nog in 1940, samen met zijn broer Jan Joseph Gotfried, dan commandant van het leger te velde,  afgevoerd naar Duitsland.

Hij keerde na de bevrijding terug naar Nederland, waar hij, samen met de overige generaals, die eveneens in krijgsgevangenschap verkeerd hadden, werd ontvangen door Koningin Wilhelmina. Van Voorst tot Voorst verkreeg in december 1945, op zijn verzoek, eervol ontslag uit de militaire dienst.

Periode vlak na de oorlog

Van Voorst tot Voorst werd in maart 1946 benoemd tot voorzitter en hoofdcommissaris van De Katholieke Jeugdbeweging in Den Haag en tevens opgenomen in de Wereldbroederschap der Padvinders. In juli 1947 werd hij door de Minister van Marine ge├»nstalleerd Voorst in de raad van stateals voorzitter van de nieuwe vlootcommissie. Van Voorst tot Voorst werd in 1946 (tot 1949) voor de Katholieke Volkspartij (KVP) lid van de Eerste Kamer. In maart 1947 voerde hij aldaar het woord over de kwestie Lingga djati: hij zei toen onder meer dat hij liever een meer geleidelijke ontwikkeling had gezien maar dat z.i. nu diende te worden vastgehouden aan Lingga djati, de motie Romme en de motie betreffende de slachtoffers in kampen.

Bij Koninklijk Besluit van 12 mei 1948 werd de Defensiecommissie ingesteld en Van Voorst tot Voorst benoemd tot lid en voorzitter. In 1948 werd hij titulair bevorderd tot luitenant-generaal en op 1 juni 1949 (tot 1 september 1961) vond zijn benoeming tot lid van de Raad van State plaats.  Van Voorst tot Voorst werd in maart 1953 aangesteld als erevoorzitter van de Nederlandse Bond van Oudstrijders.

Latere leven

Van Voorst tot Voorst was in maart 1955 tien jaar in functie als voorzitter van de Katholieke Jeugdbeweging enVoorst tot voorst in de tweede kamer werd vanwege onder meer dit feit benoemd tot Commandeur in de Orde van de Heilige Gregorius de Grote. De versierselen werden hem uitgereikt door de aartsbisschop van Utrecht mgr. dr. B.J. Alfrink.   Voor zijn verrichtingen voor de Katholieke Jeugdbeweging kreeg hij daarnaast, in oktober 1957, de Bronzen Wolf van het Boy Scouts International Committee, wegens bijzondere verdiensten op internationaal gebied.

Van Voorst tot Voorst werd in mei 1958 benoemd tot voorzitter van de Commissie Werkelijke Diensttijd Dienstplichtigen, die een rapport diende op te stellen over de door haar noodzakelijk geachte duur van de werkelijke dienst der dienstplichtigen. In deze commissie waren ook de werkgevers- en werknemersorganisaties vertegenwoordigd. Bij Koninklijk Besluit van 30 april 1958 werd hij benoemd tot Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau. Van Voorst tot Voorst overleed op vrijdagochtend 9 juli 1971 in het Rooms-Katholieke Ziekenhuis St. Johannes de Deo in Den Haag op 84-jarige leeftijd.

Decoraties

Van Voorst tot Voorst was ridder in de Orde van Oranje-Nassau met de Zwaarden, bezat het Belgische Militaire Kruis tweede klasse en was commandeur in de Orde van Leopold II.

Hij verkreeg daarnaast het Commandeurschap in de Orde van de H. Gregorius de Grote en was Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau. Hij droeg de titel van Grootofficier van het civiele huis van de Koningin en ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.  


Zie ook


 

[ Terug

f t

Login