Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

 

Witte guerrilla


Inleiding

Arend Steenbergen, auteur van het filmscenario  "De Witte Guerilla" (2011), over de "existentialistische held" Poncke Princen, is een scenarioschrijver en regisseur van films. Voor hen die de naam niet kennen: Poncke Princen is een dienstplichtig militair die tijdens de strijd (1945-1950) in Nederlands-Indië overloopt naar de kant van de Republiek en veel van zijn voormalige dienstmakkers in de val weet te lokken, waardoor zij op gruwelijke wijze vermoord worden. Later is hij actief als "mensenrechtenactivist" in Indonesië.

Op de lijst van "vrienden van de stichting", die realisatie van de film aan de hand van het script van Steenbergen beoogt, staan illustere namen als die van jurist en journalist Geert Mak, D'66 politicus en bestuurder Gerrit Jan Wollfensperger, luitenant-generaal Hans Couzy en de schrijver Orlow Seunke. Hoewel de film, bij gebrek aan fondsen, nooit gerealiseerd is, kan het geen kwaad het script, waaraan zelfs een luitenant-generaal zijn fiat heeft gegeven,  eens aan een kritische beschouwing te onderwerpen.

Lijden in Nazi-gevangenissen

In de inleiding van het script staat dat "Princen als jongen van 17 het laatste jaar van de oorlog in Nazi-gevangenissen doorbrengt en dit maar net weet te overleven".  Dit is bezijden de waarheid. Princen loopt, onderweg naar de GeallieZwarte guerrillaerde troepen, in de armen van de Feldgendarmerie en informeert die manschappen direct over het doel van zijn tocht, in plaats van, zoals een vriend hem heeft aangeraden, te zeggen dat hij in België shag had willen kopen - hoogstwaarschijnlijk was Princen dan niet gearresteerd.

Princen brengt na zijn gevangenname de winter door in een cel van de Sicherheitspolizei te Maastricht, een ruimte die hij deelt met priesters, verzetsmensen en kleine misdadigers, en waar hij, volgens zijn biografie, "gefascineerd wordt door verhalen over vrouwen van plezier". Doordat hij  tijdens zijn rechtzitting een korte broek aantrekt krijgt hij wegens zijn schijnbaar jeugdige leeftijd geen zware straf maar wordt naar Essen en Borchum overgebracht, waar hij in een metaalfabriek en de loopgraven werkzaamheden moet verrichten.

Princen wordt dus, voornamelijk door eigen toedoen, gestraft - maar om "van maar net overleven" te spreken is wel erg sterk gesteld en doet af aan de ontberingen die werkelijke verzetsstrijders indertijd lijden.

Leider van een guerrilla-groep

Steenbergen zegt over de activiteiten van Princen in Nederlands-Indië: "Pincen handelt naar zijn overtuiging en loopt over naar het Indonesische kamp". De enige reden waarom Princen juist eind september 1948 deserteert is echter omdat hij te lang bij een prostituee blijft en zodoende zijn geoorloofde afwezigheidstermijn overschrijdt,  waardoor hij na terugkeer bij de troep de resterende acht maandPrincen in strafkampen van zijn eerdere voorwaardelijke celstraf voor onttrekking aan de dienstplicht  moet gaan uitzitten.

Wiecher Hulst, die later veel over Princen publiceert, noemt hem "een aartsopportunist. Iemand die de ideologische verantwoording voor zijn daden er later zelf bij bedenkt." "Princen leidt met succes een guerrillagroep", zo stelt Steenbergen. Dat succes wordt met name veroorzaakt doordat Princen, gekleed in het uniform van een Nederlands soldaat, zijn voormalige strijdmakkers in de val lokt en laat afmaken door de leden van zijn "Pasoekan Istimevi".

Princen heeft sowieso weinig affiniteit met Nederlandse soldaten, want op 28 februari 1949 krijgen  hij  en zijn guerrillagroep acht Nederlandse militairen  te pakken; waarop Princen orders geeft hen direct de nek af te snijden. Het is dan ook waarlijk geen wonder dat, zoals Steenbergen schrijft, "de Nederlanders Princen als een landverrader zien en hem proberen te vermoorden".

Existentialistische held

Voor Steenbergen "is Poncke Princen een existentialistische held die een zelfzame dramatische keuze maakte" -  zeker is het ontstellend dat doordat Princen  te lang bij een publieke vrouw blijft en de gevolgen van een eerdere desertiepoging wil ontlopen hij kiest voor overlopen naar de vijand en zijn voormalige dienstmakkers vervolgens in hinderlagen lokt en af laat maken.

Steenbergen vergelijkt de activiteiten van Princen met die van de Duitsers, die tijdens de Tweede Wereldoorlog tegen  het Nazi-regime strijden en dit gevecht met hun leven moeten bekopen. Hij schrijft over hen: "zij moeten vechten tegen nationalistische onderbuikgevoelens in hun landgenoten en zichzelf".  Verder stilzwijgend voorbijgaand aan de vergelijking van Oorlogsvrijwilligers in de Oost met Nazi's is vooral de volgende zin van Steenbergen interessant.

"Na de oorlog is de helft van de bevolking tegen militaire actie in Indonesië en nu men eenmaal daar vecht is iedereen ineens voor het Nederlandse leger - kennelijk is voor de meeste mensen het leven van landgenoten belangrijker dan principes". Steenbergen vervolgt: "Iedereen die tegen dit soort gevoelens ingaat, die daarnaar handelt en met de haat die dit oproept vind ik een held, een dapper mens".

Je zou ook kunnen zeggen: "kennelijk is voor mensen zoals Princen het leven van (voormalige) strijdmakkers niets waard en een ieder die, zoals hij, medesoldaten in de val lokt en gruwelijk laat vermoorden verdient niet beter dan intense haat." Dat Steenbergen dit verachtelijke handelen als heldendaden ziet zegt iets over... ja wie?

Een blik op de film

Steenbergen ziet de film over Princen, het zal na het voorgaande niet verbazen, "als een rolprent over een man die zijn leven voor een goede zaak wil geven". DPrincen in de jaren vijftige rol van Indische Nederlanders moet volgens hem de volgende zijn: "zij hebben een goed leven gehad, wat door de bezetting door Japan volledig overhoop is gehaald, altijd zijn ze meesters geweest en ineens worden ze naar het leven gestaan. En dan komt er ineens een Nederlander en die steekt hen een mes in de rug."  

Uit deze Indische Nederlanders destilleert Steenbergen een prototype van de "Belangrijkste Tegenstander" van Princen, iemand die het tot missie maakt "de held" Princen uit te schakelen. Een ander belangrijk element in de film is "de liefde voor Indonesië" - die liefde is volgens Princens eigen biografie wellicht wat minder verheven dan Steenbergen denkt.

"Trots is Princen nu blijkt dat tijdens het baden de lokale bevolking razend benieuwd is naar de maat van zijn penis. De grootte daarvan wordt, zo vertelt Princen later, als een even goede indicatie van macht en potentie gezien als een tot de rand gevulde beurs. De inlandse vrouwen gluren dan ook, volgens Princen,  begerig tussen de bosjes door om een glimp van dit edele deel op te vangen als hij zich schoonspoelt."

Steenbergen ziet de film over Princen als een echte oorlogsfilm: "hij is een soldaat, die vecht in een oorlog, die zijn leven op het spel zet en vaak ternauwernood overleeft. Een soort film zoals die over Vietnam wordt gemaakt. Een film die gaat over iemand die kiest voor Indonesië, die daarvoor grote offers brengt en tenslotte triomfeert en met hem Indonesië." En dat laatste is zeer de vraag - gezien het groot aantal doden dat later, na 1950, tijdens diverse interne strubbelingen in Indonesië valt. Waarom ook zou Princen zich genoodzaakt voelen in Indonesië op te komen voor de mensenrechten als het land, mede door Princens toedoen (?), getriomfeerd heeft?

Hoofdrollen in de film

Steenbergen wil Princen portretteren als een jonge man van 22 jaar oud, jong, sterk en gezond, avontuurlijk en op zijn best in chaotische  en gevaarlijkCouzitjee omstandigheden. Als opponent dient "Henk van Hulst" (fictief persoon), een Indische Nederlander, wiens vrijheid en waardigheid is afgenomen door de Japanners en die terugkeert naar Indonesië om de oude orde te herstellen. 

Van Hulst ziet de Nederlandse soldaten als mensen uit een vreemde cultuur. Princen is de eerste met wie hij een band voelt "omdat die echt belangstelling heeft voor zijn land. Maar die Princen rent weg van hem, recht naar de vijand".

Princen staat echter, het is al een paar keer aangestipt,  niet bekend om zijn geestelijke interesse voor Indonesië maar om diens vleselijke belangstelling. "Vaker zoekt en krijgt hij, bijvoorbeeld in ruil voor een blikje corned beef, seks van inlandse  meisjes. Zijn "relaties" met inlandse vrouwen leiden uiteindelijk tot deportatie naar een strafkamp bij Poentjak, waar hij tot taak de Indonesische politie op te leiden krijgt", zo staat in de biografie van Princen te lezen.

De hoofdpersonen, naast Princen en Henk van Hulst, zijn Odda (werkelijk persoon), een inlands meisje uit de kampong, die dient voor de nodige "romantiek", en die Princen "haar liefde, warme en geborgenheid wil geven", en natuurlijk majoor Kemal Idris (werkelijk persoon).

Bijrollen in de film

Een bijrol is er voor Soebando (fictief persoon), een onderofficier in het Indonesische leger, die een "bloedhekel aan Princen heeft omdat die zo'n wijsneus is met idealen en nog dapper ook. Pas wanneer hij veel ouder is kan hij zijn haat tegen Princen loslaten en zich toestaan waardering voor hem te uiten".  

Kapitein de Wijk (werkelijk persoon)  zou de overtuigingen van Princen volgens Steenbergen delen maar "durfde niet over te lopen omdat hij terugschrikte voor de consequenties. Wanneer Princen is overgelopen is het enige dat De Wijk doet hem iets meer voorsprong geven zodat de bloedhonden hem niet direct op het spoor komen."

De dorpsoudste (fictief persoon) houdt niet van verandering "maar dat is waar Princen voor staat en zorgt".  Het dorpshoofd vertrouwt Princen niet "maar Princen blijkt eerlijk, consequent en is respectvol. Wanneer de hele kampong Princen in het hart sluit, ook en vooral zijn eigen dochter (voor een blikje corned beef?), kan de dorpsoudste niet meer ontkennen dat Princen bij hen hoort".

Het filmscript

De film begint met archiefbeelden van de landing van de Nederlandse troepen  en beelden van een legerkamp "waarin lange witte jongemannen zijn verzameld." Hierna volgen dialogen tussen Henk van Hulst en Princen, waarin "dPoncke rincene verheven denkbeelden van de laatste goed tot uitdrukking komen", en het overlopen van Princen naar de vijand.  Dan gaat de film nader in op de periode na de desertie en de ontmoeting met Kemal Idris, waarin Princen zegt: "Ik sterf liever voor de goede zaak dan dat ik leef voor een  verkeerde".

In de rest van de film wisselen scènes, waarin Nederlandse soldaten worden afgespiegeld als een stel plunderende en moordende struikrovers en Princen als de nobele en verheven held, elkaar af tot het moment dat Princen in een diepgaand gesprek met de vader van Odda filosofische wijsheden debiteert.

De film eindigt met een fragment uit 1991, wanneer de dan 65-jarige Princen deelneemt aan een studentenopstand en er alleen door zijn aanwezigheid niet met scherp geschoten wordt. In de slotscène steekt hij zijn gebalde vuist voor de laatste keer op en dimmen de lichten.  Het leven van "een held" is ten einde gekomen.

Tenslotte

Het is maar goed dat het scenario (wegens geldgebrek) nooit in een film is omgezet  want schrijnender gevallen van geschiedvervalsing en ergerlijk gebruik van valse sentimenten zijn moeilijk te vinden. Buitenbeentjes en "rebellen", die ageren tegen de "gevestigde orde", wekken vaak sympatie op maar die is in dit geval geheel misplaatst, indien men op de hoogte is van de ware reden tot desertie en verder handelen van Princen.

De naam Princen wekt in Indonesië nog maar weinig sympatie of gevoelens van waardering op. Wil men de naam van een persoon noemen die nog immer zeer geacht en gerespecteerd wordt in het voormalige Nederlands-Indië dan haalt men die van Kapitein Raymond Westerling en zijn Depot Speciale Troepen aan.  Dat een luitenant-generaal als Hans Couzy actief is als propagandist van een film als "De Witte Guerrilla" laat zien dat ons leger tegenwoordig mensen van het kaliber Westerling node mist.


f t

Login