Gebruikerswaardering: 4 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter inactief
 

Oorlogsmisdadigersponckeprincen


 Zie ook: Astrid Manders-van der Burg. Nederlands-Indië 1946-1949. Brieven van een Nederlands soldaat.


Inleiding

De deserteur en landverrader Poncke Princen is nog steeds onderwerp van discussie. Het is tegenwoordig in bepaalde kringen bon ton over Princen te spreken als een verzetsstrijder, oorlogsheld en mensenrechtenactivist. Voor sommi12207726 10200957457174962 234522802 nge intellectuelen is hij bovendien het prototype van de "existentialistische held", zoals Arend Steenbergen, in een script van een (nog) niet gerealiseerde film over het leven van Princen, hem in 2011 noemde.

Voor hen, die in opdracht van de Nederlandse regering naar Nederlands-Indië werden gezonden om daar voor "Orde en Vrede" te strijden en deze plicht - waarbij veel jongens sneuvelden en anderen voor het leven beschadigd raakten - vervulden, was Princen niet meer dan een overloper en deserteur. Princen wordt bovendien rechtstreeks verantwoordelijk gehouden voor de dood van een groot aantal Nederlandse soldaten, die door zijn toedoen in vijandelijke hinderlagen gelokt en wreed vermoord werden.

Dat de toenmalige legerleiding Princen indertijd ook zo zag, als verrader en deserteur, mag blijken uit het feit dat de speciale eenheden van de  luitenants Tivadar Emile Spier en Johan Heinrich Christoffel Ulrici in augustus 1949 van de Generale Staf van het KNIL en de Koninklijke Landmacht opdracht kregen om "de deserteur Princen uit te schakelen".

Onderstaand de brief, die mr. L.J. van der Burg, broer van Indië-veteraan Ad van der Burg, naar aanleiding van het bezoek van Princen aan Nederland, in september 1998, aan een dagblad schreef. In deze brief gaat Van der Burg ook in op het voorstel van een zekere Schouten om "hardleerse houwdegens bij te praten over hoe men in de moderne tijd met mensenrechtenactivisten en verzetsstrijders als Princen om  diende te gaan".  

Brief van mr. L.J. van der Burg aan Trouw (september 1998)

Nadat mijn broer Ad in 1945 eindexamen had gedaan raadde het schoolhoof - tevens reservekapitein - hem aan te "'tekenen" voor Indië: Soekarno, collaborateur met de Japanners, bedreigde veel levens van Japanse gevangenen en van Indonesiers die ervan werden verdacht met hen te sympathiseren. Nu, in deze bersiap-periode, zich voor hen inzetten zou vele levens kunnen sparen. Nu gaan betekende ook dat hij, na vervulling van zijn dienstplicht, over een jaar zou kunnen terugkeren 12204597 10200957540617048 270980223 nen zich aan zijn toekomst zou kunnen wijden. Het liep echter anders: pas na ongeveer 3 1/2 jaar kwam Ad terug naar huis. Met een niet alleen langer, maar ook ingrijpender oorlogsverleden dan hem was voorgespiegeld.

Ad overleed op 7 juli 1998, 70 jaar oud, op de dag dat Poncke Princen in Nederland aankwam. Twee achtereenvolgende avonden had het NOS-journaal de komst van deze "mensenrechtenactivist" aangekondigd. Andere kwaliteiten, bijvoorbeeld die van verrader van eigen land en volk, werden weggemoffeld.

Uit ingezonden brieven in Trouw bleek me ook dat Trouw aandacht besteedde aan Poncke's komst, maar het niet nodig vond melding te maken van een op 4 juli gehouden veteranendag, die door 3.000 veteranen werd bezocht, laat staan zich in hun positie te verdiepen.

Er waren nogal wat dienstplichtigen die als ze werden opgeroepen dienst weigerden. Zij draaiden dan voor een aantal jaren de bak in. Poncke weigerde niet. Omdat hij er nog geen reden voor zag? Of omdat hij de bak niet in wilde? In Indië werd het hem duidelijk: hier moet ik mee stoppen. Twee dingen waren toen mogelijk: dienst weigeren (en de bak indraaien) of ov11781674 10200667643489801 5048039672303829775 nerlopen, zijn land verraden, zijn kameraden gaan beschieten of althans hun tegenstanders de weg wijzen hoe dezen hen het best konden raken. Het lijkt in hoge mate onwaarschijnlijk dat zijn verraad geen levens heeft gekost van een of meer van hen met wie hij, om welke reden dan ook, naar Indië trok.

Voor ik nu verder aandacht geef aan Schouten, eerst iets over mijn broer. Zijn broers en zusters schreven in de door hen geplaatste rouwadvertentie in Trouw ondermeer: Zijn land, zijn gezin en familie, zijn bedrijf en zijn kerk hebben veel aan Ad te danken.

Ad was geen jammeraar, maar vertelde mij weleens iets over die latere jaren. Zo ook over de periode dat hij, in zijn eentje, aan een riviertje op Sumatra dienst moest doen. Militairen in die positie hadden van de legerleiding de instBrief IGK INdieructie een "pelopper" die zich binnen hun schootsveld mocht vertonen onmiddellijk neer te schieten. Dat overkwam Ad: een Indonesier nam een heerlijk bad in het riviertje. Maar Ad piekerde er niet over hem neer te schieten zoals zijn instructies van hem eisten.

Nu terug naar Schouten. Hij spreekt van "blind verzet tegen de vermeende komst van een overloper van een halve eeuw geleden", van een "rabiate reactie van het Veteranenplatform op Princen" waaraan je "mooi zou kunnen afmeten hoezeer de wereld de afgelopen jaren veranderd is" en besluit met de suggestie dat: ëen apart potje voor het bijpraten van hardleerse houwdegens misschien geen overbodige luxe is".Grover kan het haast niet.

Mijn broer was 70 toen hij stierf. Zijn gezondheid bleek door zijn Indische jaren al spoedig fors aangetast. Hij werd door zijn kameraden "broekie" genoemd, omdat hij veruit de jongste was. Die kameraden zijn nu dus minstens 75-plussers, veelal 80-plussers. Voor hun uitzending waren verantwoordelijk de kabinetten Schermerhorn-Drees en de daarop volgende kabinetten Drees. Voor hun instructies primair de legerleiding ter plaatse, maar uiteindelijk ook de genoemde kabinetten. Als hun positie in de media niet zo ernstig was verwaarloosd, was dat bijpraat-potje van Schouten beslist minder nodig.

Ik hoop dat hij dat nu een beetje begrijpt.

Leersum, september 1998

Mr. L.J. van der Burg


 

 

f t

Login